Posts

‘Meneer, gaat u zitten!’ De stewardess snauwt haar verzoek haast door het gangpad naar een Aziatische man die klaarblijkelijk een Oost-Indische gehoorbeperking heeft. ‘Het vliegtuig gaat niet taxiën, zolang u blijft staan!’ Het is even wennen aan het regime van een luchtvaartmaatschappij die haar passagiers bij opstijgen met zachtzoete Kitkats kalmeert en na de landing met bikkelharde commando’s op hun plaats commandeert tot het lampje van de stoelriem sluiten is gedoofd.

Ergens begrijp ik de opstandeling wel. Na een vlucht van tien uur door negen tijdzones met een kind op rij 34 dat dwars door mijn pijngrens gilt, wil ik er ook zo snel mogelijk uit. Ik snak naar lucht die niet naar bedompte adem ruikt, naar voedsel met vezels, vitamines, mineralen en ruimte waarin ik al mijn ledematen uit kan strekken zonder dat ik mijn rug in een scoliose manoeuvreer. Het liefst met wifi om mijn geest in vorm te houden met een prikkelend aanbod hersengymnastiek.

Uiteindelijk gaat de Aziaat door de knieën, het vliegtuig naar de gate en onze shuttlebus naar het centrum van Los Angeles, waar dit jaar het internationale alzheimercongres is georganiseerd, oftewel de AAIC. Nog voor de openingsceremonie, hakt de eerste newsalert er genadeloos in: ‘Geneesmiddelenfabrikant Novartis stopt onderzoek naar alzheimermedicijn’. Bij sommige proefpersonen bleek het denkvermogen niet te verbeteren maar zelfs te verslechteren.

De dagen erna draait mijn brein op volle toeren om alle indrukken te verwerken. Het is veel, emotioneel en intellectueel. Tijdens een bijeenkomst voor families met dominant erfelijke alzheimer spreek ik een broer en zus. Hij bleef gezond; zij werd ziek. Op haar 41ste heeft ze al symptomen en twee jonge kinderen met een kans van kop of munt dat ze het fatale gen van hun moeder hebben geërfd. Hun leven, mijn ziel, als een vel papier wordt het aan snippers gescheurd.

In een grote conferentiezaal praten vooraanstaande wetenschappers ons bij over het effect van genen die het risico op dementie vergroten of verkleinen en wellicht zelfs het moment vervroegen of verlaten waarop de ziekte begint. Ze vertellen over ingenieuze en veelbelovende technologieën met de sprekende naam ASOs*, die de werking van foutieve stukjes DNA veranderen waardoor de schadelijke eiwitten überhaupt niet worden gevormd. De eerste test op mensen geeft hoop.

Ook is er veel aandacht voor de beschermende invloed van een gezonde levensstijl. Het beste lijkt een combinatie van verantwoord eten (wat goed is voor je hart, is ook goed voor je brein), genoeg bewegen (tenminste 150 minuten per week op matig tot intensief niveau), mentale en sociale activiteit (om je hersens fit te houden), matig drinken en niet roken. Dat zou je risico flink kunnen verlagen, zelfs als je verhoogde aanleg hebt. Daarnaast spelen nachtrust en luchtvervuiling een rol.

De laatste dagen verruilen we de verkeersdrukte en wolkenkrabbers van de betonnen binnenstad voor Venice Beach, met zon, zee en zand, waar een frisse wind door hoge palmen wuift. We slapen onze jetlag teniet, lopen hard over de boulevard, wandelen naar Santa Monica, kletsen over niets en alles, lezen op een bankje in het park, eten veganistische burrito’s en proosten met een biologisch biertje in de ondergaande zon. Of misschien wel twee. Matig, stond er, toch?

* Oftewel antisense oligonucleotides voor wie z’n cognitieve reserve graag vergroot.

Ik schreef deze column voor Alzheimer Nederland.

In het staartje van 2018 vlieg ik er nog even met mijn vriend tussenuit voor een lang weekend naar Edinburgh. Althans, dat is de bedoeling, maar net als de afgelopen twaalf maanden duurt alles langer dan verwacht. De vlucht vertraagt totdat de laatste bar op Schiphol is gesloten, de bagage past niet in de bovenhandse vakken en iedereen dringt, maar niemand schiet op. Tollend van vermoeidheid arriveren we kort na middernacht in het eeuwenoude centrum met burchten, kerken en kastelen waar de tijd tussen de stadsmuren stil lijkt te staan.

Klaarwakker veer ik de volgende ochtend rechtop in bed, een beker oploskoffie naast de schemerlamp en in mijn hand de telefoon. ‘Lieverd!’ Ik por mijn vriend tussen de ribben. ‘Lieverd, lees dit eens!’

Hoe meer bekend wordt over het alzheimer-gen, des te meer mijn lot is vastgelegd en ingeperkt. Mijn DNA voorspelt met zekerheid dat ik straks ziek zal worden en zelfs bij benadering wanneer. Bovendien zijn de verschijnselen immuun voor alles dat een preventieve invloed heeft tegen ’gewone’ dementie. Gezond eten, regelmatig bewegen, voldoende slapen, mentale stimulans of sociaal contacten. Ik kan op mijn kop gaan staan, maar tenzij ik ondertussen eiwitklonters uit de knoop pulk, verandert er voor mij helemaal niets.

Maar daar, daar staat het: meer sporten zou de aanvang uit kunnen stellen bij een zeldzame vorm. Mijn zeldzame vorm. Razendsnel schiet mijn blik door de zinnen, schuift mijn vinger over het scherm, hongerig naar informatie, op mijn hoede voor de mitsen en maren die er altijd voor een uitzondering zijn. Hoeveel, wil ik weten, wat moet ik doen?

Tenminste 150 minuten stevig inspannen per week, dat is genoeg voor minder schade in de hersenen en een aantoonbaar beter denkvermogen. Lopen, zwemmen, fietsen, alles telt mee, al lijkt een combinatie van duursport, krachttraining en evenwichtsoefeningen het gunstigst te zijn. Twee en een half uur per week, reken ik uit. Wat levert mij dat op?

Ik volg de link naar het oorspronkelijke paper, ploeg door wetenschappelijk jargon en dan plakken mijn ogen aan de pagina. Drie cijfers, één woord. Ik controleer de plaatsing van de komma, maar ik zag het toch goed. Vijftien komma een. Bij dragers van het gen die fanatiek bewegen, beginnen de symptomen gemiddeld 15,1 jaar later dan de rest.

‘Vijftien!’ roep ik verbijsterd. ‘Vijftien jaar…’ De betekenis dringt langzaam tot me door. Voor het eerst in mijn leven is er bewijs dat ik wél iets kan doen. Het is slechts een kleine studie en de samenhang is nog onzeker, maar toch. Al waren het vijftien maanden. Het voelt alsof de getallen die in mijn grafsteen staan gebeiteld een beetje worden weg gevijld.

Ik zoen mijn vriend uit de veren en even laten lopen we hand in hand de Royal Mile af naar beneden en in één ruk door de berg op richting Arthur’s Seat. Het is een flinke klim, die ons meer tijd kost dan verwacht. Soms moeten we dalen voor we verder kunnen stijgen, hobbelt het pad in steile slingers over losse keien en het laatste stukje klauter ik met één hand aan de grond. Maar dan staan we met ijzige tenen en gloeiende wangen op de winderige top.

72 minuten voor een weergaloos uitzicht over middeleeuwse monumenten en moderne buitenwijken, glooiend over groene heuvels tegen grijze bergen aan een blauwe zee en in de verte aan de horizon misschien een paar jaar in de toekomst vooruit. Een lach zwelt diep van binnen en ik veeg een vinger langs mijn ooghoek. Vijftien komma een.

Ik schreef deze column voor Alzheimer Nederland.

Snel rende ik mijn werkweek uit, vlak voordat het weekend voor de deur zou staan. Er is weinig zo ontspannend als die inspanning. Op mijn New Balance vloog ik over de brug. Niet met een doel voor ogen, mijn benen gaven zelf het tempo aan.

Soms voelde het alsof ik zo mijn hersens af kon leiden van mijn zorgen en ze ongemerkt in het gareel kon schudden, net als stuiters in een grote bak, de kleintjes onder en de grote boven, zodat de ideeën door de tussenruimtes heen naar boven glipten gelijk een pingpongbal. Plop!

De piep van mijn horloge. Kilometer twee in vijf minuut negentien. Misschien liep ik vandaag wel een persoonlijk record. Ik schoot de trap af, over de tegels met de regels van een gedicht en genoot van het waanzinnige uitzicht over de stad, het water – en een echtpaar dat aarzelend keek.

Precies op het punt waar ik met een haakse bocht de helling af dacht te denderen. Impulsief ging ik vol in de ankers, stopte de tijd en trok de muziek uit m’n oren. ‘Kan ik,’ hijgde ik met de dopjes in mijn handen, ‘misschien iets voor u doen?’

‘Nou, nee, hoor,’ antwoordde de vrouw, een tikje verbaasd. ‘Maar wat aardig dat je dat vraagt. We zijn hier voor het eerst. Net aangekomen en nu op ontdekkingstocht. Ik vroeg me af,’ en ze wijst, ‘of we daar langs kunnen gaan?’

Trots vertelde ik over de Waal, de paadjes en de bruggetjes. Het prachtige natuurgebied.

Zelf wist ik eigenlijk ook niet waarom. Het was alweer negentien jaar geleden dat ik net zo nieuw in Nijmegen was. Of misschien hoopte ik dat iemand anders dit voor mijn ouders zou doen. De vrouw leek aangenaam verrast.

Al betwijfelde ik ten zeerste hoe aangenaam mijn aanblik was. Zo oververhit en bezweet. Voor de zekerheid haalde ik mijn vingers door mijn wallen, hopend dat het mee zou vallen. ‘Studeer je hier?’ vroeg ze toen. Op mijn beurt was ik net zo gevleid door haar inschattingsfout.

Hartelijk namen we afscheid. ‘Nou, dag, hoor!’ ‘Nog een fijne tijd in de stad!’

Met een glimlach liep ik verder, mijn hart vijftig slagen trager en mijn endorfinen een flink stuk verhoogd. Toen ik terug rende langs de andere oever zag ik hun silhouet op de brug. De vrouw zwaaide naar mij en ik zwaaide naar haar.

Haar gezichtsuitdrukking kon ik niet zien, maar ik denk dat ze keek zoals ik.

Thuis zocht ik de zinnen op van het gedicht dat ik passeerde op mijn pad.

We weten nog niet hoe

snel alles, hoe snel je zicht verandert
tot je bent wat je verandert,
hoe snel het kind zich in je opbergt.

We weten nog niet hoe ver alles,
hoe ver de echo van je zang reikt,
hoe ver je gaat of buigt.

We weten nog niet hoe licht alles-
hoe licht het dragen van je geluk-
hoe licht van details het gewicht-

We weten nog niet hoe vaak alles,
hoe vaak de stad schittert in je ogen,
hoe vaak de liefde een daad is van genot.

“Kijk, de stad drijft langs!”
“Zie je iets?”
“Zei je iets?”

Je tekent een bed op het water.
“Wacht je daar op me?”
We weten nog niet wanneer je een godensprong waagt.

– Anne Vegter

Wat mag je eigenlijk verwachten van zo’n weekend, als één van de hardloopvriendinnen eerder in het jaar een diagnose heeft gekregen, die klinkt alsof je haar spijsverteringsstelsel vervloekt? Zesendertig jaar is ze nog maar, met drie kleine kinderen thuis. Veel te jong, veel te sterk en veel te gezond om al zo ziek te zijn. Maar het lot is even blind als barbaars. Haar lichaam brak de chemo niet snel genoeg af, het tijdelijke stoma kwam nooit op gang en haar dunne darm raakte verkleefd in haar buik. Niemand durfde het te zeggen, maar we hebben het allemaal gedacht: zouden we ooit nog met z’n tienen kunnen gaan?
Geen ‘stijlvol’ terrasappartement in Barcelona, geen ‘adembenemende’ Airbnb in Berlijn. Dit jaar boekten we een ‘groepsaccommodatie ZE502’ ergens in Noord-Beveland. Niemand maakte zich nog druk om de hoogtepunten die we absoluut niet mochten missen of het tentje waar we volgens dat ene gidsje echt geweest moesten zijn. In Colijnsplaat is naar boven afgerond vrij weinig te beleven. De kust bleek een dijk, het dorp bleek een gat en het eetcafé bleek een veredeld frietkot. Het enige bekende strandrestaurant was op zaterdag dicht en op zondag te druk.
Het maakte niet uit. We loungeden de spinnenwebben van de parasol, de kussens uit het schuurtje en de benen uit de lange broek. Het lot mocht ons dan overvallen hebben, maar tegen tien vastberaden dames brengt het toeval weinig in. Alles hadden we geregeld en de rest geïmporteerd. Van chocoladepepernoten tot pompoensoep, van een koeltas Turkse tapas tot thuis-alvast-gesneden fruit, van zelfgemaakte blauwebessencrumble tot zelfgebakken appeltaart, van theelichtjes tot theedoeken en zes rollen vier-laags extra zacht toiletpapier. Aan de kaasplank in de koelkast kwamen we überhaupt niet meer toe.
Zij sliep als eerste, de laatste sliep voor twaalven. Om in alle vroegte en in alle nuchterheid te ontwaken voor een ontbijt met zelfgeraspte, zelfgeweekte, zelfgegarneerde overnight oats. Het recept, zo stond in de kleine letters, was zelfs voedselzandloper-proof.

De dagen baadden in de zon, ons plezier drukte af in het zand en onze schaterlach overstemde de zee.

Alles was anders en niets was veranderd. We brachten voor twee nachten een complete rolkoffer mee, met kleding, schoenen, sneakers en slippers, maar wat moesten we in vredesnaam aan? Was het warm genoeg voor korte mouwen, zouden ze denken dat dit shirtje ordinair was, leek de buik niet opgezet? Wel of niet of toch de hoge hakken aan en wellicht nog gympen in de handtas voor het geval? De shampoo bleek vergeten, had iemand misschien een föhn meegebracht en o, nee, waar was de andere oorbel gebleven? We maakten ons druk over de vragen des levens. Had God echt de beste haren al aan andere vrouwen bedeeld?
Het werd meer. Meer dan we hadden durven dromen. We proostten met verse muntthee op de vriendschap en we toostten met biologische prosecco op het leven. De dagen baadden in de zon, ons plezier drukte af in het zand en onze schaterlach overstemde de zee. We fietsten langs de Oosterschelde en de Deltawerken en zij fietste mee, verder dan onze verwachting, ver voorbij onze hoop – en toen ook weer terug, met onze brede schouders voorop en een sterke hand op haar rug.
Net als vroeger trokken we op zondagochtend onze hardloopschoenen aan. Negen meiden liepen hard en eentje wandelde langzaam, maar ze ging. Een klein meisje in een grote trui. Met fut in haar haren, met kleur op haar huid, met glans in haar ogen.
Ze wordt weer beter. We zagen het, allemaal.

Het bos dampt en druipt nog in de vroegte. De lucht ademt vochtig groen. Zacht ploffen mijn hardloopschoenen op het kiezelige zand, over natte naalden, hier een wortel, daar een dennenappel. Een lage tak zwiept restjes van een nachtelijke onweersbui als ochtenddauw in mijn gezicht. Rechts boven mij kwettert een vogeltje, nog hoger droogt de zon de voorjaarswolken op in strak hoogzomerblauw. Ik dribbel over een wiegend bladerdek in schaduw op de grond. Een briesje wappert aan mijn losse shirt.

Mijn lijf dampt en druipt al in de vroegte. Het is warm en het is zwaar en het is zalig.

In drie stijlen over straat, van poëzie tot aan de bar

Zo is het fijn, zij hier met haar gedachten aan de horizon gehaakt, de lijn kaarsrecht op spanning, haar lijf kaarsrecht ontspannen, ze windt ‘m met haar handen op, in een helling licht voorover, licht ze haar voeten vlak voordat ze valt, zwiept haar hakken in een zwaai omhoog en zweeft met honderdtachtig wentelingen per minuut, op de maat van de muziek, die niemand hoort dan zij, de dopjes in de oren, de artiest geborgen in de heupband om haar buik, haar longen hijgen in, twee, rust, uit, vijf, zes, een evenwicht zo wonder wankel dat ze het zelden vindt en nooit wil laten gaan, zolang ze – stoep, links, rechts, ze slingert en het ritme struikelt, stokt, stremt, remt, ontregelt alle losse passen, de beweging mist haar melodie, nu is ze moe.
Een hardloper op de weg, een eenwieler in haar hoofd. Een fietser in haar baan.

Niet op de stoep, maar op het fietspad loopt ze hard. Het rode, rechte asfalt, zonder opstap, afstap, stoplicht, ongelijke tegels, wandelaars met honden en hun lijn als struikeldraad, maar met doorstroom, snelheid en een groene golf. Als ze durfde liep ze op de autobaan, het liefste midden op de weg, maar nu blijft ze netjes aan de kant. Links, zoals is voorgeschreven, tegen het verkeer in (althans vroeger). Rechts, zoals is voorgeschreven, knipperen twee lampjes, aan haar arm en aan haar been. Ze draagt haar telefoon in een band om haar buik.
Hij draagt z’n telefoon in zijn hand op de fiets. Zonder licht en in een zwarte jas doemt hij pas dichtbij uit het donker op, peddelt dubbel snel de afstand weg en met hun opgetelde tempo trapt hij haar tegemoet.
Zij kijkt, ze zwaait. Hij ziet haar niet en dan te laat.

‘Ja, lekker! Doe mij maar een biertje.
Man, man, man. Je moet wat over hebben voor een drankje hier. Al die idioten op de weg! Het is toch godsgeklaagd. Fiets ik daar op het fietspad net. Heb ik opeens zo’n jogger tussen m’n spaken. Op het fietspad! Nou vraag ik je. Wat doen die mensen daar?
En niet één he. Nee. Ze zijn overal. Links, rechts, midden op de weg. Er is toch een stoep! Weet je, het kan ze gewoon niks schelen. Ik denk dan, die lui menen maar dat ze alleen zijn op de wereld, denk ik dan. Vind je niet?
Daar zouden ze eens wat aan moeten doen. Ik bedoel, hoe moeilijk kan het zijn. Zie jij soms een fiets? Nee? Nou, dan. Dan heb je hier ook niks te zoeken.
Dankjewel, man. Dat gaat er wel in. Proost!’

Dublin-10km-vlak-voor-de-start

Regen

Ik wil zeggen dat het regent maar een correcte weergave van de werkelijkheid is dat niet. Al dagen hangen druppels aan de wolken als grijze kralen van een deurgordijn. Terwijl ik dapper volhou op mijn slippers, want heus, het wordt straks echt weer droog, ontdek ik waar het schoeisel eigenlijk zijn naam aan dankt. Geen goed idee met zoveel nattigheid. Maar wat is een zomer zonder blote voeten? Koud is het niet, maar kil is het wel.

Waarom, vraagt u zich vast af, gaan we dan naar Dublin, waar naar verluidt de zon nog niet is uitgevonden, maar al wel een zee aan water viel? Omdat het kan, of om precies te zijn, omdat het kon. Meedoen aan de Dublin Rock ‘n’ Roll half marathon, met op iedere mijl een band en een muzikale biertuin bij de finish.

Even voor de duidelijkheid: je moet nog wel zelf lopen, hardlopen, en hoewel dat doorgaans geen probleem is, deed de training ons ditmaal beiden de das om, wegens hardnekkig blessureleed aan Jurs enkel en mijn knie. Bijna dan. Want hoewel de sportarts mij onverbiddelijk veroordeelde tot levenslang geheel onthouden, werd dat vonnis in hoger beroep bij de sportorthopeed mij Gode zij dank weer kwijt gescholden. Ik was voorwaardelijk vrij, weliswaar met een brace om mijn been, maar die bleek uitkomst te bieden. Vlak voor de wedstrijd zijn knie en enkel aan de herstellende hand, althans sterk genoeg om de alternatieve 10km te rocken en rennen.

regenrails

Dus trotseren we eveneens het niet aflatende front aan storingen op Neerlands spoor (regenrails?) en Schiphols uitzonderlijk strenge controles op, jawel, paraplu’s. Ryan Air stijgt pas op tegen de tijd dat we hoopten te landen, maar neemt ons mee onder, boven, door de wattendeken naar een watergroen eiland, waar dikke plukken wolk het avondblauw drogen.

Volgende haltes: Bus, AirBnB, Temple Bar, bed.

Er vallen gaten, zoveel gaten dat de meeuwen ons naar buiten schreeuwen en het enkel regent in de zon. De zon!

‘s Ochtends rekt het wit zich uit, lui en zorgeloos als haar gasten, tot het ongemerkt te dun wordt om de hemelse gewelven te bedekken. Er vallen gaten, zoveel gaten dat de meeuwen ons naar buiten schreeuwen en het enkel regent in de zon. De zon!
We wandelen de stad door, van St. Patrick’s Cathedral tot St. Stephen’s Green, met coffee to go in de ochtend. We meanderen langs de smaragdgroene Liffey, langs kleurige deuren met gouden beslag en uitbundige bloemen, met English tea zonder melk in de middag. We banjeren van boekwinkel naar bar, terwijl we heerlijk kijken, lezen, kletsen en concluderen dat Kilkenny niet ons bier is, maar O’Hara met live muziek in de avond uitstekend vermaakt. Ons bed is een beproeving, wiebelend als wiegen we op water en zo krap in de kamer geklemd dat we over het voeteneind klauteren om raam of deur te bereiken. Maar we slapen als een blok.

meeuw-bij-de-liffey

Voor een foto

Vanochtend treffen we het firmament bestrooid met vegen poedersuiker en toefjes slagroom aan de horizon. De zon meldt zich als eregast op haar eigen meteorologisch feestje en tilt de temperatuur met vlagen op tot standje korte broek. In Dublin vier je zoveel blauw het beste in het groen. De halve stad is met ons neergestreken in St Stephen’s Green, waar de verbodsbordjes op het gras slechts formeel weerstand bieden aan de invasie blote voeten, benen, bovenlijven. Hier is het te doen.

Languit liggend in het gras, trekt het grondvocht in mijn broek en de zonnewarmte in mijn botten. Heer. Lijk. Voorzie mij van goed gezelschap, picknickproviand plus leesvoer en ik geniet zolang de voorraad strekt (of mijn blaas: fantastische fontein, maar waar is het toilet?). Naast ons speelt een jonge vader met een dochter van een jaar of tien. We vermoeden dat hij ‘haar heeft’ dit weekend, maar waar zie je zoiets eigenlijk aan? Zij komt met een calippo, hij stalt vier verschillende zakjes chips uit naast zijn rugzak. Eén van elke smaak, alsof hij niet wist welke ze het liefst zou willen. Op de grond ligt een rugbybal voor straks, maar eerst maken ze een praatje – en een foto.

Er is iets in de manier waarop buurman de vraag stelt. Alsof hij zich oprecht excuseert voor het verstoren van onze rust in een park overladen met krijsende kinderen, alsof hij toestemming vraagt voor het betreden van onze persoonlijke ruimte op deze openbare plek.

Of wij dat misschien voor hen willen doen? Hij doelt uiteraard op Jurriaan, die met een bord op zijn buik niet vaker benaderd zou worden voor dit soort verzoeken. Maar er is iets in de manier waarop buurman de vraag stelt. Alsof hij zich oprecht excuseert voor het verstoren van onze rust in een park overladen met krijsende kinderen, alsof hij toestemming vraagt voor het betreden van onze persoonlijke ruimte op deze openbare plek.

Zij poseren, Jurriaan knipt een paar kiekjes. ‘Thank you,’ zegt de vader, ‘for your time.’ Het valt me op dat hij die formulering kiest. Geen Hollands “Hé bedankt hè!” half over een schouder terwijl de aandacht alweer elders is. Geen Amerikaans woorden van dank zo uit verhouding tot de daad, dat ze afdoen aan de waarde van beide. De man bedankt, voor de tijd.

Ik begrijp niet precies wat hier gebeurt, waarom het anders is, of het überhaupt wel anders is.

Dan draait hij zich nogmaals om. Willen we misschien een zakje chips? Hij heeft er vier en hoeft er maar twee.

Al kocht ik ze van mijn allerlaatste euro’s, thuis bij de Coop om de hoek, dan geloof ik niet dat de gemiddelde kassajuf mij een blik waardig zou gunnen, laat staan dat ik die retourneer. Deze man biedt ons met vriendelijkheid zijn eigen etenswaren aan. We slaan ze af, maar later vraag ik me af, of hij ooit zal vermoeden, dat hij met een foto en twee zakjes chips, veel meer nog dan zijn dochter op kan voeden?

the-temple-bar

Raceday

Mijn grootste angst, zo had ik het genoemd, om nooit meer hard te kunnen lopen. Ik zie mezelf nog zitten bij de sportarts, toen ze zwijgend naar de foto’s keek. Schade zag ze, onherstelbare schade aan de knieschijf, van het soort waar ik me maar bij neer moest zien te leggen. ‘Tel je zegeningen,’ zei ze, ‘laat het los.’ Hier was weinig aan te doen.

Ik voelde me verslagen zonder mijn hobby, waar ik zoveel in had gestopt en meer nog uit had gehaald. Geen marathons meer voor mij, de hele noch de halve. Misschien, als het mee zat, zou ik ooit nog maximaal een uurtje mogen joggen, maar niet veel meer dan dat en zeker niet te vaak. Dit was een drama, een drama met een grote D.

veters-vast

Maar laten we wel wezen, we hadden het over een hardloopblessure. Van een amateuratleet (niet eens zo’n hele snelle), ontstaan door overbelasting (oftewel mijn eigen fout). En hoewel ik moeilijk kon knielen of hurken en nog moeilijker de trap beklom, was de ergste pijn met name mentaal.

De orthopeed trok uit dezelfde scans echter een heel andere conclusie. Het euvel zat niet in het bot maar in de pees, en hoe hardnekkig ook, wat hem betreft mocht ik best lopen. Dat wil zeggen, met een voorzichtig schema voor herstel. Liep ik vorig jaar drie uur, nu begon ik weer bij drie minuten. Met veel geduld nam de pijn af en de duur toe, tot hopelijk vandaag 10 kilometer zonder klachten. Dit is een droom, een droom met een grote D.

Met tranen in de ogen sta ik in het startvak. Het is koud, bewolkt en winderig, maar inmiddels weet ik dat het Ierse weer zich amper laat voorspellen. Resultaten uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst, over een kwartier kan het compleet veranderd zijn. Gold dat ook maar voor het hogedrukgebied in mijn darmen ten gevolge van een gemiste toiletbezoek – de rijen bij de dixies reiken ver voorbij het startschot. Voor het eerst ben ik blij dat ik vandaag ‘maar’ een uurtje hoef te lopen.

Naast mij staat een stoere kerel. Hij lijkt nerveus noch opgefokt. Type zwart shirt, bandana op de kop, stalen gezicht en stalen benen.

Naast mij staat een stoere kerel. Hij lijkt nerveus noch opgefokt. Type zwart shirt, bandana op de kop, stalen gezicht en stalen benen. Wacht even. Ik kijk nog een keer, maar zag het toch goed. De man draagt protheses vanaf de knie, links en rechts, met daaronder zwarte hardloopschoenen, waar hij volstrekt ontspannen hen en weer op hopt om warm worden of te blijven. Dat laat ik even bezinken.

wachtrij-voor-de-dixie

In de drukte van de gefaseerde start verlies ik hem uit het oog en eerlijk gezegd ook uit mijn gedachten. Ik loop. Ik loop! Mijn buik dicteert genadeloos mijn tempo: te laag en ik riskeer een sanitaire noodstop, te hoog en ik forceer een sanitaire noodstop. Enfin, u kunt zich er vast van alles bij voorstellen. Na alle omzwervingen van de afgelopen dagen, loopt mijn lijf alleen maar lekker in de middelste versnelling en dat is goed. Ik kan en mag ook helemaal niet anders. Deze race is om te testen, om te genieten en vooral om te vieren dat het kan.

En het gaat, het gaat goed! Langs het water, bij de bandjes, over de brug heen, bij de bandjes, over de heuvel, bij de bandjes, door het park. Nu ik niet strijd voor een tijd, heb ik meer oog voor mijn omgeving en meer oor voor de muziek, ook al loop ik van dixie naar dixie, in continu debat: ga ik bij deze of bij de volgende, deze of de volgende, deze of de volgende, deze of de finish? Lachend sprint ik over de eindstreep – en race linea recta door naar het toilet er achter. Wat een opluchting! In meerdere opzichten. Als een kind ben ik zo blij. Het is gelukt, ik kan weer lopen, ik bén er weer!

Pas later realiseer ik me dat ik me dat ik vooral bezig ben geweest met mijn buik. Mijn knie heb ik geen enkele keer gevoeld. Wat een luxe dat enkel hoge nood vandaag wat weerstand bood. Ik denk ik aan de man met/zonder voeten. Hoe zou het met hem zijn? Hoewel 10 km de kortste afstand is, loopt de gemiddelde deelnemer vandaag een halve marathon. Ik hoop dat hij er één van is.
Dat is pas een wonder. Een wonder met een grote W.

finishing-is-winning

Running away

‘Excuse me. Do ya speak English?’

Voor ons stopt een bouwvakkersbus. Achter puilt een houten meubel uit, voor een tweetal mannen. Ze zijn van het soort dat het woord ‘potig’ belichaamt als waren ze een visuele definitie. Groot en sterk. De chauffeur leunt uit het portier, zijn lijf bedekt met wonden, zijn tanden gereduceerd tot drie. Een impulsief plan om van hartje stad langs de kust naar Howth te kuieren, voert ons door Dublins buitenwijken en langs Dublins buitenfiguren. Ik ben blij om Jurriaans hand in de mijne te voelen.

‘Yeah, we do,’ zegt hij, hoewel een betere vraag is of zij het spreken en of wij dat verstaan.

‘Can I ask ya sometin?’ vraagt de potige man in plat dialect. Als Amerikanen converseren met een ‘hot potatoe’ in de mond, knauwen de Ieren met de tanden op elkaar. De ‘th’ produceer je zonder consumptie en de ‘r’ laat je lekker lang rollen. ‘Thirty three’ is hier gewoon ‘tirrty trree’. Eenmaal gewend is het even makkelijk als vermakelijk.

‘Sure,’ zegt Jur. ‘Fire away.’

‘Arre ya afrraid she’s rrunning away?’

van-dublin-naar-howth

Huh? We kijken vast een moeilijk, want de potige man stuurt een geamuseerde blik van mij naar onze handen en dan terug naar Jur. Of ‘ie bang is dat z’n meisje wegloopt als ‘ie loslaat? Gek genoeg is dit al de tweede keer dat we dat horen, maar voor ik er iets over kan vragen zijn we al bij ‘wherre arre ya frrom?’ en ‘wherre arre ya goin?’

‘Howth’ proberen wij op z’n Engels, ‘Hout’ verbetert hij haast Hollands. O ja.

Dan komt het. Of hij ook even mijn hand vast mag houden? De mijne verdwijnt in de zijne, een kinderhandje in een kolenschop met eelt en schaaf en zwarte randjes rond de nagels. Moment = kracht x massa, herinner ik me van de middelbare school en dan is het voorbij.

Moment = kracht x massa, herinner ik me van de middelbare school en dan is het voorbij.

‘Have a grreat day,’ zegt de potige man. In alle rust rijdt hij verder. In verwondering blijven wij staan.

Schizophrenic

Het is zo’n dag met een koninklijk gouden gloed en de intense kleuren die je alleen aan de kust tegenkomt. Een goed uur later hoost een grote donkergrijze wolk de wereld zwartwit.

‘Over vijf minuten kun je wel weer verder,’ adviseert de eigenaar van onze schuilplaats, terwijl zijn dakgoot overstroomt. ‘Irrish weader is schizophrrenic’.

En warempel, hij heeft gelijk. Zo snel als het dicht trok, zo snel trekt het open. Regen of geen regen, Dublin is verrassend verfrissend.

the-swan