Posts

‘Je zult wel veel op vakantie gaan!’ hoor ik verrassend vaak.
’Nou nee,’ zeg ik, ’dat valt eigenlijk best mee.’ Ik heb geen bucketlist met avontuurlijke bestemmingen die ik in dit leven nog wil zien. Integendeel. Die bungeejump van de Bloukransbrug en de tandem parachutesprong boven Texel, die ik eerder zonder angst of aarzeling deed, daar bedank ik nu voor. Waarom zou ik zo’n risico nemen? De kans dat het misgaat is klein, maar met statistieken hoef je niet meer aan te komen bij mij.
Om eerlijk te zijn: na mijn uitslag veranderde alles en tegelijkertijd ook helemaal niets. Terwijl ik overspoeld werd door verdriet, ging de zon een paar uur later onder, alsof het gewoon een dag was zoals alle andere. Mijn wereld stond niet van het ene op het andere moment op de kop, ik stond op de kop, althans van binnen, van buiten was weinig te zien.
Ik klampte me vast aan de hectische routine van mijn eigen bedrijf in – ironisch genoeg – uitdagende reizen. Al ging ik voor het eerst sinds mijn moeders ziekte ook zelf drie weken weg met mijn vriend. Misschien is daar en toen, aan de Caribische kust van Costa Rica, wel het besef ontstaan dat dromen niet zijn bedoeld voor later, maar nu.
Toch gingen er nog maanden overheen voordat ik mijn onderneming verkocht en duurde het daarna nog ruim een jaar voordat ik mijn lang verwaarloosde wens om weer te gaan schrijven eindelijk gestalte gaf. Alsof mijn toekomstperspectief een slagschip was dat zich maar langzaam bij liet sturen naar een nieuwe koers. Zelfs nu vind ik het nog spannend om hardop te zeggen dat ik ben begonnen aan een tweede boek, ditmaal over mijn eigen verhaal.
In bijna drie jaar tijd was voor mij gaandeweg bijna alles veranderd, behalve mijn buitenwereld, die bleef gelijk. Tot de avond bij Pauw. Toen gebeurde in een paar minuten precies het omgekeerde: ik bleef gelijk, maar mijn buitenwereld is in één klap volledig en voorgoed getransformeerd. Opeens weet iedereen van mijn gen en is het overal. Dat is flink schakelen.
Wat ik al die tijd zorgvuldig had verzwegen, ligt nu in alle openheid op straat. Het voelt soms naakt en ongemakkelijk dat iedereen in mijn omgeving iets gevoeligs weet van mij, maar ik vaak niets van hen. Van alle kanten krijg ik advies, over de kracht van kokosolie, meditatieve cannabis en bekering tot het christendom. Nooit eerder ben ik zo hartelijk geknuffeld door wildvreemden.
Toch kan het heel confronterend zijn als ik in mijn werk iemand benader met een aanbod als professional en word behandeld als patiënt. Ik wil als schrijver serieus genomen worden en mijn verhaal vertellen in mijn eigen woorden, zolang ik dat kan. Maar als ik dat wél mag, gaat de samenwerking vaak verder dan puur zakelijk en ervaar ik een betrokkenheid die me niet zelden ontroert.
Het is wennen in deze nieuwe wereld, waarin ik me meer dan ooit verbonden voel. Met bekenden en onbekenden voer ik soms opeens de meest persoonlijke gesprekken die écht ergens over gaan. Zoveel mensen dragen een ongedeeld verdriet dat ze zelden laten zien. Het zijn die bijzondere momenten van wezenlijk contact waar ik mijn ‘bucket’ mee vul.
Dus nee, ik heb niet de behoefte om de realiteit te ontvluchten op een vakantie die over een paar maanden begint en binnen een paar weken alweer over zal zijn. In plaats daarvan probeer ik mijn dagelijks leven zo fijn mogelijk te maken. Door ‘nee’ te zeggen tegen de sociale verplichtingen waar ik geen zin in heb – en de onverwachte kansen te omarmen.
Zoals een last-minute afspraak op een zonnig terras 😉

Volgende keer: hoe gaat het nu verder?

Vorige keer: hoe vertel je dit aan anderen?

Dit stuk schreef ik voor Psychologie Magazine.

Of: hoe je voor anderhalve habbekrats volledig ontstresst en ontsleurt.

Voorbereiding
a) Open de Ryanair Routekaart en boek blind een retour naar de nieuwste bestemming.
b) Of selecteer een stipje waar je de naam niet van kent. Bijvoorbeeld София, zegge: Sofia, met de klemtoon op de o.

Stap 1
a) Vraag Ivan de hotelreceptionist naar de weg. Wees niet verbaasd wanneer hij bij gebrek aan woorden al wijzend met je mee naar buiten loopt.
b) Of trotseer op eigen inzicht en je stevigste stappers de krakkemikkige stoep van ongelijke en gebroken tegels, richting een kolossale kathedraal van eeuwenlang perfect geconserveerde stenen. Sla rechtsaf de Happy in, ook al doet de schreeuwendrode gevel als een fastfoodketen aan. Leid u niet in verzoeking; dit is de enige fatsoenlijke tent die op de bonnefooi te vinden is voor een gewone sterveling. Weest ook niet bevreesd: zelden zal je koude Kamenitza beter smaken bij je culinaire burger, quinoasalade of gegrilde kip. Zo niet dan kun je je vergapen aan petite serveersters in petite bloesjes met vastgestikte bretels, die verplicht spontaan een dansje doen op hun petite sandaaltjes, vlak voor de solide bar waar de gespierde kerels sterke cocktails mixen. Bij vertrek krijg je een Happy-kerstbal met een Happy-credo in een Happy-doosje mee naar huis.

Stap 2
a) Trek je hardloopschoenen aan, groet Ivan en verlaat het hotel. Laat je inspireren door de kamikazeklusser, die vijf verdiepingen boven je hoofd aan twee kabels bungelt langs een flatgebouw, dat hij ondertussen in z’n eentje stuukt. Sofia ligt aan je voeten! Dribbel westwaarts langs de driebaansverkeersader met Audi’s, Porsches, BMW’s. Na anderhalve kilometer kun je prima dat paadje nemen over het semi-braakliggend terrein rond de semi-vervallen woontorens. Zolang Google Maps zegt dat het kan, zet je gewoon door, desnoods klauter je een stukje verder op handen en voeten over het spoor. ‘Vanwege de lokatie’ is het onder toeristen wat minder bekend, maar hier ligt een park, zo groot en ongecultiveerd dat het haast natuur mag heten, compleet met sneeuw en uitzicht op een berg. Reken dus niet op hekken en een poort bij de uitgang, negeer het ontbrekende asfalt, het zwervende vuil en de alomtegenwoordige hond. Dit is de officiële route en misschien is dit de echte stad, met primitieve kotten en een ezelkar in de berm. Nergens anders word je op de openbare weg zo vriendelijk ontweken.
b) Of vraag Ivan om instructies naar het Groen van Boris, dat met een commerciële sneeuwmachine wit gespoten wordt.

Laat je inspireren door de kamikazeklusser, die vijf verdiepingen boven je hoofd aan twee kabels bungelt langs een flatgebouw, dat hij ondertussen in z’n eentje stuukt.

Stap 3
a) Maak je het cyrillische alfabet meester en herbeleef de kinderlijke euforie bij het ontcijferen van je eerste woordjes Bulgaars.
b) Of bekeer je acuut tot Tripadvisor en verken de gebaande paden naar de verborgen parels in de stad. Ontbijt een kaasomelet in een regenboogbar vol mannen met tatoeages en kuiven. Lunch soep en salade in een verstopte huiskamerkroeg met kranten aan het plafond, deuren op tafels, takken aan het raam en rijen tot de straat. Bestel een burger in de beste en de kleinste horecagelegenheid, ter grootte van je vroegere studentenkamer, maar met permanente rock, een ingebouwde bar en hoogbestapelde broodjes. Dompel je onder in kerstsfeer op een oerduitse Christkindlmarkt compleet met Baumschmuck, Bratwurst en Kartoffelhaus, waar de lokale Heidi van de glühwein je al na één drankje herkent. Besteed indien beneveld en bij nacht verhoogde aandacht aan het wegdek tot je Ivan weer ziet.

Stap 4
a) Neem afscheid van Ivan en hoor dan pas hoe hij ooit in onze Amsterdam Arena in Carmen de Opera heeft geschitterd als achtergrondgod.
b) Of raadpleeg een tolk voor de correcte vertaling.

Stap 5
a) Begeef je op uitzonderlijk verzoek van Ryanair ruim twee uur voor vertrek naar het vliegveld, vanwege verwachte ‘vertraging door beveiliging’. Rapporteer aldaar in alle vroegte tot onbegrip van het grondpersoneel dat net aan de eerste espresso begint. Wacht tot het mannetje van het scanapparaat en het vrouwtje van het fouilleren beiden hun post hebben bemand. Begeef je in serene rust naar de uitgestorven vertrekhal, waar de winkeltjes nog dicht zijn en de verwarming nog uit. Ga op zoek naar cafeïne met ontbijt tot de barjuf arriveert, die haar zachte broodjes met harde herrie serveert. Overweeg een dagdroom in het dunbevolkte vliegtuig.
b) Of zwaai uit het raampje naar Ivan. Dag София. Welkom terug in de Westerse wereld.

Hoe moeilijk kan het zijn. Er ligt zelfs een briefje met instructies. ‘Om het vat te openen, trek je de hendel omhoog’. Of, wacht even, was het niet omlaag? Er is doorgehaald en bijgeschreven. Maar mij krijg je niet op de kast. Ik ben heus wel wat kampeergeïmproviseer gewend. Komt er geen water uit de kraan, dan moet het ding dus de ándere kant op. En als het straaltje te lullig wordt, dan pomp je gewoon de druk… even denken. Ja. Omhoog. Het staat er duidelijk.
Dag drie in Bakkum. Na een korte nacht. Manlief is met de kids croissantjes halen en ik krijg de ketel enkel met geduld gevuld. Een potentieel gebrek aan koffie brengt het beste in mij boven en dus duik ik onbevreesd uit de uitpuilende opslagtent een fietspomp op. Geen band kan ik plakken, maar dit lukt me vast. Het wieletje op het pieletje, duwen, trekken, duwen, trekken en, o, wonder! Tien minuten later zit ik aan een beker troost.
’s Middags meldt manlief zich. Het fust is leeg. Leeg? Leeg. Geen water uit de kraan, geen klotsen in het vat, hij heeft het zelf geschud. Aan de uitklapkeukentafel in de caravan, zwijgen echter alle uitlegblaadjes over vullen. Dan kan het niet al te ingewikkeld zijn, denken we binnen. Buiten weten wij nog net een bierfust en een tuinslang te herkennen, plus de eerst stap. Hendel de andere kant op en daarna de slang los. We proberen achtereenvolgens draaien, linksom, rechtsom, vloeken en finesse en tenslotte brute kracht. Aha. Wij deden het heus wel goed, het zand zat in de weg!

Dan smijt manlief in één zin z’n volledige doe-het-zelf vocabulaire er tegenaan. ‘Dit is een mannetje en dat is een vrouwtje en zo past de slang dus niet aan de kraan.’

Dan smijt manlief in één zin z’n volledige doe-het-zelf vocabulaire er tegenaan. ‘Dit is een mannetje en dat is een vrouwtje en zo past de slang dus niet aan de kraan.’ Ik volg schoonmoeders gedachtegang, stort me in de overvolle keukenla en stuit op batterijen, elastiekjes, batterijen, nog meer batterijen en, wacht even, ja, jawel, het kraankoppelstuk! We klikken het zo, hop, klak, aan de slang.
Overmoedig evacueren wij het hele zaakje op een krakkemikkige kar de brandnetels uit naar het dichtstbijzijnde waterpunt. We monteren het mondstuk, dat past(!), duwen de hendel en draaien de kraan. Kijk ons eens gaan. In een mum van tijd is het vat gevuld. Kraan dicht, hendel terug, mondstuk los en gedurende drie en een halve seconde spuit, spettert, spat het struikgewas gelijk een heel wildwaterpark. Juist.
We herpakken ons, proberen het opnieuw. Hetzelfde riedeltje en hop, hij is weer vol. Inmiddels zijn we er ook uit. Het is de correctie op het briefje. De hendel moet niet omhoog, maar omlaag. Dat moet het haast wel zijn. Kraan dicht, mondstuk los. U raadt het vast, u wéét het vast en wij stellen vast, met n=2 na een 0,04 kuub weggelopen water. Deze modus operandi is onjuist.
Maar hoe dan wel? Een hulplijn denkt u. Maar nee, we zijn op Bakkum en dus zonder wifi en bereik en buurman vindt ons schouwspel té vermakelijk. Ons rest ‘trial and error’, ‘depth-first search’, pompen of verzuipen en één hint. ’Pull’ staat op de hendel. Maar dat wisten we dus al. Enfin. Ik zal u het verdere beloop van ons waterballet besparen en geef het ruiterlijk toe. Manlief kwam er achter.
Bij ons afscheid leggen we de hele handleiding ongewijzigd terug. Per slot van rekening staat het er gewoon. ‘Trek de hendel omhoog’. Eerst trekken. Dan omhoog.

Dublin-10km-vlak-voor-de-start

Regen

Ik wil zeggen dat het regent maar een correcte weergave van de werkelijkheid is dat niet. Al dagen hangen druppels aan de wolken als grijze kralen van een deurgordijn. Terwijl ik dapper volhou op mijn slippers, want heus, het wordt straks echt weer droog, ontdek ik waar het schoeisel eigenlijk zijn naam aan dankt. Geen goed idee met zoveel nattigheid. Maar wat is een zomer zonder blote voeten? Koud is het niet, maar kil is het wel.

Waarom, vraagt u zich vast af, gaan we dan naar Dublin, waar naar verluidt de zon nog niet is uitgevonden, maar al wel een zee aan water viel? Omdat het kan, of om precies te zijn, omdat het kon. Meedoen aan de Dublin Rock ‘n’ Roll half marathon, met op iedere mijl een band en een muzikale biertuin bij de finish.

Even voor de duidelijkheid: je moet nog wel zelf lopen, hardlopen, en hoewel dat doorgaans geen probleem is, deed de training ons ditmaal beiden de das om, wegens hardnekkig blessureleed aan Jurs enkel en mijn knie. Bijna dan. Want hoewel de sportarts mij onverbiddelijk veroordeelde tot levenslang geheel onthouden, werd dat vonnis in hoger beroep bij de sportorthopeed mij Gode zij dank weer kwijt gescholden. Ik was voorwaardelijk vrij, weliswaar met een brace om mijn been, maar die bleek uitkomst te bieden. Vlak voor de wedstrijd zijn knie en enkel aan de herstellende hand, althans sterk genoeg om de alternatieve 10km te rocken en rennen.

regenrails

Dus trotseren we eveneens het niet aflatende front aan storingen op Neerlands spoor (regenrails?) en Schiphols uitzonderlijk strenge controles op, jawel, paraplu’s. Ryan Air stijgt pas op tegen de tijd dat we hoopten te landen, maar neemt ons mee onder, boven, door de wattendeken naar een watergroen eiland, waar dikke plukken wolk het avondblauw drogen.

Volgende haltes: Bus, AirBnB, Temple Bar, bed.

Er vallen gaten, zoveel gaten dat de meeuwen ons naar buiten schreeuwen en het enkel regent in de zon. De zon!

‘s Ochtends rekt het wit zich uit, lui en zorgeloos als haar gasten, tot het ongemerkt te dun wordt om de hemelse gewelven te bedekken. Er vallen gaten, zoveel gaten dat de meeuwen ons naar buiten schreeuwen en het enkel regent in de zon. De zon!
We wandelen de stad door, van St. Patrick’s Cathedral tot St. Stephen’s Green, met coffee to go in de ochtend. We meanderen langs de smaragdgroene Liffey, langs kleurige deuren met gouden beslag en uitbundige bloemen, met English tea zonder melk in de middag. We banjeren van boekwinkel naar bar, terwijl we heerlijk kijken, lezen, kletsen en concluderen dat Kilkenny niet ons bier is, maar O’Hara met live muziek in de avond uitstekend vermaakt. Ons bed is een beproeving, wiebelend als wiegen we op water en zo krap in de kamer geklemd dat we over het voeteneind klauteren om raam of deur te bereiken. Maar we slapen als een blok.

meeuw-bij-de-liffey

Voor een foto

Vanochtend treffen we het firmament bestrooid met vegen poedersuiker en toefjes slagroom aan de horizon. De zon meldt zich als eregast op haar eigen meteorologisch feestje en tilt de temperatuur met vlagen op tot standje korte broek. In Dublin vier je zoveel blauw het beste in het groen. De halve stad is met ons neergestreken in St Stephen’s Green, waar de verbodsbordjes op het gras slechts formeel weerstand bieden aan de invasie blote voeten, benen, bovenlijven. Hier is het te doen.

Languit liggend in het gras, trekt het grondvocht in mijn broek en de zonnewarmte in mijn botten. Heer. Lijk. Voorzie mij van goed gezelschap, picknickproviand plus leesvoer en ik geniet zolang de voorraad strekt (of mijn blaas: fantastische fontein, maar waar is het toilet?). Naast ons speelt een jonge vader met een dochter van een jaar of tien. We vermoeden dat hij ‘haar heeft’ dit weekend, maar waar zie je zoiets eigenlijk aan? Zij komt met een calippo, hij stalt vier verschillende zakjes chips uit naast zijn rugzak. Eén van elke smaak, alsof hij niet wist welke ze het liefst zou willen. Op de grond ligt een rugbybal voor straks, maar eerst maken ze een praatje – en een foto.

Er is iets in de manier waarop buurman de vraag stelt. Alsof hij zich oprecht excuseert voor het verstoren van onze rust in een park overladen met krijsende kinderen, alsof hij toestemming vraagt voor het betreden van onze persoonlijke ruimte op deze openbare plek.

Of wij dat misschien voor hen willen doen? Hij doelt uiteraard op Jurriaan, die met een bord op zijn buik niet vaker benaderd zou worden voor dit soort verzoeken. Maar er is iets in de manier waarop buurman de vraag stelt. Alsof hij zich oprecht excuseert voor het verstoren van onze rust in een park overladen met krijsende kinderen, alsof hij toestemming vraagt voor het betreden van onze persoonlijke ruimte op deze openbare plek.

Zij poseren, Jurriaan knipt een paar kiekjes. ‘Thank you,’ zegt de vader, ‘for your time.’ Het valt me op dat hij die formulering kiest. Geen Hollands “Hé bedankt hè!” half over een schouder terwijl de aandacht alweer elders is. Geen Amerikaans woorden van dank zo uit verhouding tot de daad, dat ze afdoen aan de waarde van beide. De man bedankt, voor de tijd.

Ik begrijp niet precies wat hier gebeurt, waarom het anders is, of het überhaupt wel anders is.

Dan draait hij zich nogmaals om. Willen we misschien een zakje chips? Hij heeft er vier en hoeft er maar twee.

Al kocht ik ze van mijn allerlaatste euro’s, thuis bij de Coop om de hoek, dan geloof ik niet dat de gemiddelde kassajuf mij een blik waardig zou gunnen, laat staan dat ik die retourneer. Deze man biedt ons met vriendelijkheid zijn eigen etenswaren aan. We slaan ze af, maar later vraag ik me af, of hij ooit zal vermoeden, dat hij met een foto en twee zakjes chips, veel meer nog dan zijn dochter op kan voeden?

the-temple-bar

Raceday

Mijn grootste angst, zo had ik het genoemd, om nooit meer hard te kunnen lopen. Ik zie mezelf nog zitten bij de sportarts, toen ze zwijgend naar de foto’s keek. Schade zag ze, onherstelbare schade aan de knieschijf, van het soort waar ik me maar bij neer moest zien te leggen. ‘Tel je zegeningen,’ zei ze, ‘laat het los.’ Hier was weinig aan te doen.

Ik voelde me verslagen zonder mijn hobby, waar ik zoveel in had gestopt en meer nog uit had gehaald. Geen marathons meer voor mij, de hele noch de halve. Misschien, als het mee zat, zou ik ooit nog maximaal een uurtje mogen joggen, maar niet veel meer dan dat en zeker niet te vaak. Dit was een drama, een drama met een grote D.

veters-vast

Maar laten we wel wezen, we hadden het over een hardloopblessure. Van een amateuratleet (niet eens zo’n hele snelle), ontstaan door overbelasting (oftewel mijn eigen fout). En hoewel ik moeilijk kon knielen of hurken en nog moeilijker de trap beklom, was de ergste pijn met name mentaal.

De orthopeed trok uit dezelfde scans echter een heel andere conclusie. Het euvel zat niet in het bot maar in de pees, en hoe hardnekkig ook, wat hem betreft mocht ik best lopen. Dat wil zeggen, met een voorzichtig schema voor herstel. Liep ik vorig jaar drie uur, nu begon ik weer bij drie minuten. Met veel geduld nam de pijn af en de duur toe, tot hopelijk vandaag 10 kilometer zonder klachten. Dit is een droom, een droom met een grote D.

Met tranen in de ogen sta ik in het startvak. Het is koud, bewolkt en winderig, maar inmiddels weet ik dat het Ierse weer zich amper laat voorspellen. Resultaten uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst, over een kwartier kan het compleet veranderd zijn. Gold dat ook maar voor het hogedrukgebied in mijn darmen ten gevolge van een gemiste toiletbezoek – de rijen bij de dixies reiken ver voorbij het startschot. Voor het eerst ben ik blij dat ik vandaag ‘maar’ een uurtje hoef te lopen.

Naast mij staat een stoere kerel. Hij lijkt nerveus noch opgefokt. Type zwart shirt, bandana op de kop, stalen gezicht en stalen benen.

Naast mij staat een stoere kerel. Hij lijkt nerveus noch opgefokt. Type zwart shirt, bandana op de kop, stalen gezicht en stalen benen. Wacht even. Ik kijk nog een keer, maar zag het toch goed. De man draagt protheses vanaf de knie, links en rechts, met daaronder zwarte hardloopschoenen, waar hij volstrekt ontspannen hen en weer op hopt om warm worden of te blijven. Dat laat ik even bezinken.

wachtrij-voor-de-dixie

In de drukte van de gefaseerde start verlies ik hem uit het oog en eerlijk gezegd ook uit mijn gedachten. Ik loop. Ik loop! Mijn buik dicteert genadeloos mijn tempo: te laag en ik riskeer een sanitaire noodstop, te hoog en ik forceer een sanitaire noodstop. Enfin, u kunt zich er vast van alles bij voorstellen. Na alle omzwervingen van de afgelopen dagen, loopt mijn lijf alleen maar lekker in de middelste versnelling en dat is goed. Ik kan en mag ook helemaal niet anders. Deze race is om te testen, om te genieten en vooral om te vieren dat het kan.

En het gaat, het gaat goed! Langs het water, bij de bandjes, over de brug heen, bij de bandjes, over de heuvel, bij de bandjes, door het park. Nu ik niet strijd voor een tijd, heb ik meer oog voor mijn omgeving en meer oor voor de muziek, ook al loop ik van dixie naar dixie, in continu debat: ga ik bij deze of bij de volgende, deze of de volgende, deze of de volgende, deze of de finish? Lachend sprint ik over de eindstreep – en race linea recta door naar het toilet er achter. Wat een opluchting! In meerdere opzichten. Als een kind ben ik zo blij. Het is gelukt, ik kan weer lopen, ik bén er weer!

Pas later realiseer ik me dat ik me dat ik vooral bezig ben geweest met mijn buik. Mijn knie heb ik geen enkele keer gevoeld. Wat een luxe dat enkel hoge nood vandaag wat weerstand bood. Ik denk ik aan de man met/zonder voeten. Hoe zou het met hem zijn? Hoewel 10 km de kortste afstand is, loopt de gemiddelde deelnemer vandaag een halve marathon. Ik hoop dat hij er één van is.
Dat is pas een wonder. Een wonder met een grote W.

finishing-is-winning

Running away

‘Excuse me. Do ya speak English?’

Voor ons stopt een bouwvakkersbus. Achter puilt een houten meubel uit, voor een tweetal mannen. Ze zijn van het soort dat het woord ‘potig’ belichaamt als waren ze een visuele definitie. Groot en sterk. De chauffeur leunt uit het portier, zijn lijf bedekt met wonden, zijn tanden gereduceerd tot drie. Een impulsief plan om van hartje stad langs de kust naar Howth te kuieren, voert ons door Dublins buitenwijken en langs Dublins buitenfiguren. Ik ben blij om Jurriaans hand in de mijne te voelen.

‘Yeah, we do,’ zegt hij, hoewel een betere vraag is of zij het spreken en of wij dat verstaan.

‘Can I ask ya sometin?’ vraagt de potige man in plat dialect. Als Amerikanen converseren met een ‘hot potatoe’ in de mond, knauwen de Ieren met de tanden op elkaar. De ‘th’ produceer je zonder consumptie en de ‘r’ laat je lekker lang rollen. ‘Thirty three’ is hier gewoon ‘tirrty trree’. Eenmaal gewend is het even makkelijk als vermakelijk.

‘Sure,’ zegt Jur. ‘Fire away.’

‘Arre ya afrraid she’s rrunning away?’

van-dublin-naar-howth

Huh? We kijken vast een moeilijk, want de potige man stuurt een geamuseerde blik van mij naar onze handen en dan terug naar Jur. Of ‘ie bang is dat z’n meisje wegloopt als ‘ie loslaat? Gek genoeg is dit al de tweede keer dat we dat horen, maar voor ik er iets over kan vragen zijn we al bij ‘wherre arre ya frrom?’ en ‘wherre arre ya goin?’

‘Howth’ proberen wij op z’n Engels, ‘Hout’ verbetert hij haast Hollands. O ja.

Dan komt het. Of hij ook even mijn hand vast mag houden? De mijne verdwijnt in de zijne, een kinderhandje in een kolenschop met eelt en schaaf en zwarte randjes rond de nagels. Moment = kracht x massa, herinner ik me van de middelbare school en dan is het voorbij.

Moment = kracht x massa, herinner ik me van de middelbare school en dan is het voorbij.

‘Have a grreat day,’ zegt de potige man. In alle rust rijdt hij verder. In verwondering blijven wij staan.

Schizophrenic

Het is zo’n dag met een koninklijk gouden gloed en de intense kleuren die je alleen aan de kust tegenkomt. Een goed uur later hoost een grote donkergrijze wolk de wereld zwartwit.

‘Over vijf minuten kun je wel weer verder,’ adviseert de eigenaar van onze schuilplaats, terwijl zijn dakgoot overstroomt. ‘Irrish weader is schizophrrenic’.

En warempel, hij heeft gelijk. Zo snel als het dicht trok, zo snel trekt het open. Regen of geen regen, Dublin is verrassend verfrissend.

the-swan