Posts

Snel rende ik mijn werkweek uit, vlak voordat het weekend voor de deur zou staan. Er is weinig zo ontspannend als die inspanning. Op mijn New Balance vloog ik over de brug. Niet met een doel voor ogen, mijn benen gaven zelf het tempo aan.

Soms voelde het alsof ik zo mijn hersens af kon leiden van mijn zorgen en ze ongemerkt in het gareel kon schudden, net als stuiters in een grote bak, de kleintjes onder en de grote boven, zodat de ideeën door de tussenruimtes heen naar boven glipten gelijk een pingpongbal. Plop!

De piep van mijn horloge. Kilometer twee in vijf minuut negentien. Misschien liep ik vandaag wel een persoonlijk record. Ik schoot de trap af, over de tegels met de regels van een gedicht en genoot van het waanzinnige uitzicht over de stad, het water – en een echtpaar dat aarzelend keek.

Precies op het punt waar ik met een haakse bocht de helling af dacht te denderen. Impulsief ging ik vol in de ankers, stopte de tijd en trok de muziek uit m’n oren. ‘Kan ik,’ hijgde ik met de dopjes in mijn handen, ‘misschien iets voor u doen?’

‘Nou, nee, hoor,’ antwoordde de vrouw, een tikje verbaasd. ‘Maar wat aardig dat je dat vraagt. We zijn hier voor het eerst. Net aangekomen en nu op ontdekkingstocht. Ik vroeg me af,’ en ze wijst, ‘of we daar langs kunnen gaan?’

Trots vertelde ik over de Waal, de paadjes en de bruggetjes. Het prachtige natuurgebied.

Zelf wist ik eigenlijk ook niet waarom. Het was alweer negentien jaar geleden dat ik net zo nieuw in Nijmegen was. Of misschien hoopte ik dat iemand anders dit voor mijn ouders zou doen. De vrouw leek aangenaam verrast.

Al betwijfelde ik ten zeerste hoe aangenaam mijn aanblik was. Zo oververhit en bezweet. Voor de zekerheid haalde ik mijn vingers door mijn wallen, hopend dat het mee zou vallen. ‘Studeer je hier?’ vroeg ze toen. Op mijn beurt was ik net zo gevleid door haar inschattingsfout.

Hartelijk namen we afscheid. ‘Nou, dag, hoor!’ ‘Nog een fijne tijd in de stad!’

Met een glimlach liep ik verder, mijn hart vijftig slagen trager en mijn endorfinen een flink stuk verhoogd. Toen ik terug rende langs de andere oever zag ik hun silhouet op de brug. De vrouw zwaaide naar mij en ik zwaaide naar haar.

Haar gezichtsuitdrukking kon ik niet zien, maar ik denk dat ze keek zoals ik.

Thuis zocht ik de zinnen op van het gedicht dat ik passeerde op mijn pad.

We weten nog niet hoe

snel alles, hoe snel je zicht verandert
tot je bent wat je verandert,
hoe snel het kind zich in je opbergt.

We weten nog niet hoe ver alles,
hoe ver de echo van je zang reikt,
hoe ver je gaat of buigt.

We weten nog niet hoe licht alles-
hoe licht het dragen van je geluk-
hoe licht van details het gewicht-

We weten nog niet hoe vaak alles,
hoe vaak de stad schittert in je ogen,
hoe vaak de liefde een daad is van genot.

“Kijk, de stad drijft langs!”
“Zie je iets?”
“Zei je iets?”

Je tekent een bed op het water.
“Wacht je daar op me?”
We weten nog niet wanneer je een godensprong waagt.

– Anne Vegter

‘Het is niet echt iets voor jou,’ zegt mijn lief, ‘maar heb je zin om mee te gaan?’
Ik hoef er niet eens over na te denken. ‘Natuurlijk!’ zeg ik en pas daarna vraag ik: ‘Wanneer?’ Al heb ik geen idee om welke film het gaat. Dat wil ik ook helemaal niet weten. Juist de verrassing van het onbekende trekt me aan. Een acht op IMDB is genoeg.
Voorpret, in al zijn vermeende onschuld, is niets dan een dekmantel voor verwachtingen en die zijn funest voor geluk. Mijn moeder zei het vroeger al. ‘Als jij een verjaardagsfeestje had gegeven, ging iedereen tevreden naar huis en bleef jij ontroostbaar achter. Het was nooit zoals je van tevoren had bedacht.’
De liefde werkte net andersom. Als collega’s waren we al langer bevriend, maar ik had daar nooit iets achter gezocht, tot de eerste vonk me in alle hevigheid overviel. Hij en ik leken de meest onwaarschijnlijke match. Soms vragen we ons af hoe het geweest zou zijn, wanneer we elkaar eerder hadden ontmoet, als middelbare scholieren misschien.
Hij de kakker zonder kraagje, die het zuidelijk halfrond van zijn haardos had geschoren en de rest droeg in een strakke staart, al hield hij vooral van Chopin. Ik de punker van het platteland, met nu eens groene, dan weer paarse manen, hoewel het cassettebandje in de walkman vol stond met Bon Jovi. Ach, we zullen er nooit achter komen, die kans is voorbij.
In de ouderwetse bioscoopzaal lijken we bekeerd en volwassen. Ik op hakjes met een keurig knotje, hij met woeste haren boven een rossige baard. Zonder enige verwachting nestel ik me in het rode pluche met een Leffe Blond, al begin ik me bij de voorfilmpjes toch af te vragen waar ik nu weer ben beland. Science fiction? Misschien had mijn lief gelijk, dit is niet echt iets voor mij.
Dan hoor ik de eerste maten van een synthesizer. Wacht even. Verbaasd spits ik mijn oren. Is dat niet Van Halen – met Jump? In de twee uur en twintig minuten die volgen, buitelen momenten van herkenning halsoverkop over en door elkaar heen. Van Batman tot Ferris Bueller, van Atari tot Transformers, van George Michael tot Minecraft – en Chucky!
In Ready Player One, zo blijkt, draait de toekomst om het verleden. Om precies te zijn: dat van mij. Op volle kracht achteruit scheuren we door het vermaak van onze tienerjaren, schieten rakelings langs de bus van The A-Team, ontkomen aan de klauwen van King Kong en blijven ternauwernood in leven op de muziek van A-ha.
Na afloop kan geen miezerdonker ons nog deren. Uitgelaten doen we ons tegoed aan napret in de kroeg. Misschien komt het door de regen die nog glanst op zijn gezicht, het effect van twee speciaalbier of de speling van het licht, maar dan zie ik het. Die gloed, die blik, die ogen. Zo moet hij gekeken hebben toen hij zestien was.
Even, anderhalve glimlach lang, zie ik mijn lief in het jong, terwijl hij met een puberale overgave over The Shining vertelt en ik met een puberale zekerheid als een blok voor hem val, toen en nu tegelijk. Ik kijk naar hem zoals ik nog nooit naar hem gekeken heb en ik weet het, ik weet het heel zeker, de mooiste momenten overkomen me compleet onverwacht.

‘Nee,’ zei onze schoonmaakster vier weken geleden, ‘voor ramen lappen is het echt nog te vroeg. Kijk dan,’ en ze wees door de smerige ruiten naar buiten, ‘straks begint het weer te regenen.’ Tjsah, daar had ze misschien wel gelijk in. Bovendien, het was ook erg koud. We stelden het voorjaarsklusje nog even uit.
Een dag later was de verjaardag van mijn lief, op de koudste 28 februari die sinds mensenheugenis gemeten is. We dachten dat te vieren met een borrel en een hapje in de stad. Of nou ja, vieren. Het leek eerder op vernikkelen.
Er was geen hond op straat. Een stevige oostenwind blies met een gevoelstemperatuur van min 15 overal dwars door kleren en kieren. Niet alleen mijn feestelijke panty van 60 denier, maar ook de gevel van de kroeg waar we als enige gasten met twee biertjes tegen de verwarming zaten geplakt.
In het restaurant waren we niet veel beter af. Ik hield mijn sjaal maar driedubbel om. Zelfs de stoere mannen naast ons klaagden. ‘We doen het afzakkertje wel voor aan de bar.’

‘Nee,’ zei onze schoonmaakster twee weken geleden, ‘voor ramen lappen is het echt nog te vroeg. Kijk dan,’ en ze wees door de smerige ruiten naar buiten, ‘straks begint het weer te regenen.’ Inderdaad, het was een druilerige dag en hoewel het niet vroor was het absoluut kil. We schoven het voorjaarsklusje nog een keer door.
Vier dagen later ontwaakte de zaterdagochtend met sneeuw. Minuscule ijskristallen dansten op de wind, alsof de zwaartekracht geen vat meer op ze had, sinds ze aan de winter waren ontsnapt en zich op hun laatste reserves terug hadden laten dwarrelen naar mijn stad.
Het maakte niet uit, voorlopig hoefden wij alleen de deur uit naar de brievenbus, in de portiek van onze flat. Eerst ging mijn lief, in trainingsbroek, om tot zijn ontsteltenis te constateren dat de krant er niet was. Weg weekendgevoel. Wat later probeerde ik het nog eens, in jas, das en muts.
Tevergeefs. Het was alsof de bezorger eveneens zijn laatste reserves had verbruikt en vandaag zijn bed niet uitgekomen was. Al hoopte ik voor hem dat hij wel echt aan de winter was ontsnapt.

‘Nee,’ zei onze schoonmaakster vanochtend, ‘voor ramen lappen is het echt nog te vroeg. Kijk dan,’ en ze wees door de smerige ruiten naar buiten, ‘straks begint het weer te regenen.’ ‘Kan zijn,’ gaf ik toe, ‘maar doe het toch maar, want dat maakt me niet uit.’ ‘Wat jij wilt,’ verzuchtte ze en de rest liet zich raden.
Ik denk namelijk dat ze het mis heeft. Dat het niet te vroeg is voor de schoonmaak van het voorjaar. Maar dat het te laat is om me van de wijs te laten brengen door de hulp, die ik keurig per inspanning betaal. Mijn tip zolang het niet wil vlotten met de lente: lap je ramen. Het lijkt wel alsof iemand eindelijk mijn wintervitrage open heeft gedaan.

‘Ze was niet meteen enthousiast,’ zegt mijn lief.
Nee, dat snap ik wel. Niemand zit met oud en nieuw te wachten op een lijk in zijn ligbubbelbad.
Het was onschuldig genoeg begonnen, op derde kerstdag, in café De Blaauwe Hand. Vier mannen, een paar biertjes en een nieuw te smeden plan voor de culinaire oudejaarstraditie van vrienden en aanverwanten. Kookten ze voor eerdere edities nog de meest exquise tiengangendiners rond gedistingeerde thema’s, dit jaar zouden ze het anders doen.
Gekscherend begon N te fantaseren over vlees van het spit. En eerlijkheid gebiedt mij om te zeggen: daar sprong mijn lief onmiddellijk op in met de meeslepende suggestie voor een middeleeuwse feestmaaltijd à la Game of Thrones. Niet al te gek, hoor. Gewoon, zo’n iconisch biggetje met appel in de snuit.
Hoe het precies kon gebeuren is niet meer te achterhalen, maar de heren keerden huiswaarts met de legendarische gedachte van een sous-vide gegaard en boven open vuur geroosterd – maar nog net niet zelfgeschoten – lam.
Dat zou J wel regelen. Na een teleurstellend telefoontje aan de biologische slager, gevolgd door een vruchteloze trip naar een horecagroothandel, belandde hij van lieverlee bij een islamitische Turk. Die verkocht hem een ram, met een lengte van 1 meter 10 en niet minder dan 21 kilogram schoon aan de haak, inclusief bot en twee reusachtige ballen.
Hoewel die laatste een delicatesse op zichzelf schijnen te zijn, ging het onze koks vooral om hun eigen testikels.
Nu is het zo dat de sous-vide kooktechniek een gelijkmatige garing garandeert door vacuümverpakte etenswaren te verwarmen in een waterbad op relatief lage en constante temperatuur.
Gewoonlijk verpakt mijn lief zijn vlees hiervoor in een boterhamzakje of twee. Voor dit project overwoog hij echter achtereenvolgens een pedaalemmerzak, een vuilniszak en zelfs een stuk grondzeil, om uiteindelijk bij de bouwmarkt te slagen voor een voedselveilige asbestafvalverwijderingszak. Daar paste het beest met uitgestrekte benen net in.
Alleen, toen moest het pièce de résistance nog in bad. Voor de vorm passeerden respectievelijk een babybad, een opblaasbad en zelfs een vijver de revue, maar eigenlijk was het van meet af aan al duidelijk geweest: het lijk moest in het ligbubbelbad. Waar de vrouw des huizes dus niet meteen enthousiast over was.
Desalniettemin prepareren J en mijn lief het gastronomische bassin met twee provisorisch geïnstalleerde apparaten. Langzaam glijdt het dier in de weldadige warmte. ‘Dat is gek,’ merkt J op, ‘het lijkt wel alsof er stroom -’ Van schrik raakt hij met zijn elleboog het bedieningspaneel, waarop het water woest begint te kolken en te klotsen. In pure paniek trapt mijn lief met zijn voet naar het stekkerblok – net op tijd. Daar is zo’n rode knop dus voor.
Ondertussen improviseren N en M in de achtertuin doodgemoedereerd een vuurhaard van twee halve olievaten, geflankeerd met flinke schragen voor het spit. Na een slordige zeven uur wordt het stoffelijk overschot uit het water gevist en gespietst op een ijzeren staaf.
In het avonddonker draaien J, M en N het hoofdgerecht al sissend en geurend boven de vlammen, tot de het vlees mals gebraden is, het vel bruin geroosterd en de chefs intens tevreden stinken tot drie januari aan toe. Trots snijdt mijn lief een hapje voor mij af.
En ik geef toe. Dit smaakt als verboden lust: even fout als verrukkelijk in één verrassende sensatie. Daar kan geen vuurwerk tegenop. Na de laatste champagnewensen verwerkt mijn lief het overschot tot handzame (pro)porties, die zelfs in plastic zakjes, in de vriezer passen. Ik neem me voor: tot nader order word ik vegetariër, ter compensatie voor het lam – ik bedoel – ram.
‘Ennnn,’ appt de vrouw des huizes reeds op nieuwjaarsdag, ‘ik heb vandaag alweer gebadderd, met heeeeel veel lavendelolie ;-)’

Wie, vraag ik me af, van de mensen in mijn omgeving neemt op zaterdagnacht tussen tien en twaalf deel aan een webinar? Niemand, denk ik, naar boven afgerond nul. En toch staar ik naar mijn laptop, samen met mensen van over de hele wereld, van de Verenigde Staten tot aan Mexico en zelfs een man uit Zweden. En het is niet eens leuk.
Het is van levensbelang.
DIAN is een soort geheim genootschap van families zoals de onze, die geteisterd worden door een zeldzame vorm van dementie, die begint op jonge leeftijd en dominant erfelijk is. Het liefst praten we daar niet over. Ermee omgaan is al moeilijk genoeg. Velen van ons zijn lid op voorwaarde dat onze namen onbekend en onze gezichten onzichtbaar zullen blijven.
Ook ik ben drager van een genmutatie die ervoor zorgt dat ik de ziekte van Alzheimer krijg zodra ik begin vijftig zal zijn.
Vergeleken bij meesten aan de lijn heb ik ‘geluk’. ‘Gemiddeld start de erfelijke variant al rond de vijfenveertigste,’ legt een van de wetenschappers uit. Soms zelfs nog veel eerder. ‘In onze familie,’ vertelt een vrouw uit de VS, ‘begint het al bij dertigers’.
En dan bedoel ik niet bij één, maar bij de helft van onze bloedverwanten. Kinderen hebben 50% kans om rond dezelfde leeftijd ziek te worden als hun ouder. En er is niets tegen te doen, geen enkel medicijn om alzheimer te voorkomen, te genezen of zelfs maar te vertragen.
Weten wat je te wachten staat is een zware last om te dragen. We gaan de confrontatie dan ook liever uit de weg. Desondanks kijken we met z’n allen naar een grafiek die in neergaande lijnen onze korte levensloop en steile lijdensweg voorspelt. Omdat we iets willen, omdat we iets kunnen, omdat we iets móéten doen.
De anonieme mensen, die ik wel hoor maar niet kan zien, zijn de dapperste die ik ooit heb ontmoet. Eens in de vier weken krijgen zij een injectie of infuus van een experimenteel medicijn. Om de zoveel maanden reizen ze naar ziekenhuizen af voor meerdaagse cognitieve tests, scans met radioactieve stoffen en pijnlijke ruggenprikken. Ze kiezen ervoor om het monster van hun allergrootste angst in de ogen te zien.
Is dat wat ze bedoelen met ‘de moed der wanhoop’? Hoe onvoorstelbaar sterk moet je zijn om zo’n groot deel van de kostbare tijd die voor je ligt, te doneren aan de wetenschap.
De man uit Zweden vraagt waar hij mee kan doen aan een onderzoek van DIAN. Hij is zo gedreven dat hij desnoods bereid is naar het buitenland te pendelen. Alles, om maar niet weerloos af te hoeven wachten.
Dus wonen we bij nacht en ontij dit webinar bij. Ik als deelnemer aan een nieuwe studie die binnenkort in Amsterdam van start zal gaan, zij als deelnemers aan de eerste preventie-proef ooit, die al enige tijd in het buitenland loopt.
Ze weten niet of ze een placebo krijgen of een medicijn. Ze weten niet of het effect zal hebben. Ze weten niet of het letterlijk hun bloed, zweet en tranen waard zal zijn. Wellicht, misschien, waarschijnlijk is het voor hun te laat. Toch houden ze vol, één infuus per maand, test na scan na prik, jaar in jaar uit. In stilte, onbekend en onzichtbaar, strijden ze voor een toekomst.
Ook al was ik nu duizend keer liever in de kroeg geweest, tegelijkertijd voel ik waardering, bewondering en dankbaarheid voor deze bevlogen, toegewijde wetenschappers en deze onverschrokken, onzelfzuchtige familieleden.
Want zelfs voor iemand zonder erfelijke aanleg, is de kans om later dementie te krijgen 1 op 2 tot 3. En als het lukt, als we met DIAN een doorbraak vinden, werkt die waarschijnlijk voor ons allemaal, voor jong- én ouddementerenden. Voor mij – en ook voor jou.

 

Wacht jij het af? Of wil je meer… Doe mee en doneer!

Mijn schoonmoeder viert haar zevenenzestigste verjaardag bij voorkeur op de bowlingbaan, met snelle schoenen en nog snellere muziek, met bonte ballen en nog bontere verlichting en vooral tot uitbundig enthousiasme van haar jongste nageslacht. Ze wordt ervoor bejubeld en beloond met zelfgeknutselde creaties. Ik mis het hoofdprogramma, maar bij de afterparty thuis voeg ik me bij het feestgedruis. Met taart, chips en cola.
Voor de kleintjes is dat laatste de ultieme lekkernij. Nauwlettend bewaak ik mijn witte wijntje, met twee handen aan mijn glas, en probeer met schoonzus en schoonvader bij te praten, terwijl een kleindochter de split uitvoerig voordoet (of was het de spagaat?) en een kleinzoon ijverig de handstand oefent, tegen de achtergrond van een vrije Jim Brickman-improvisatie op de piano. Waar halen ze de energie vandaan? Ze zijn onvermoeibaar.
Tot de kaasfondue. Het ene kleinkind raakt ontstemd bij het gerucht dat hij niet mee mag eten, de ander bij het idee dat hij iets op moet eten en nummer drie spuugt alles er halverwege de maaltijd weer uit. De laatste keer dat ik zo ziek was, bedenk ik me, bleek mijn blindedarm te zijn gebarsten, maar gelukkig ben ik die inmiddels kwijt. Wat ben ik blij dat ik zoveel suikers en sensatie in een ver verleden achter me gelaten heb.
Twee dagen later zit ik in de trein naar Amsterdam. ‘Of ik zenuwachtig ben?’ vraagt een vriend me aan de telefoon, voor mijn tweede interview bij PAUW. ‘Nee, dat valt best mee,’ begin ik voorzichtig. ‘Maar nu je het zo zegt. Ik ben wel een beetje misselijk.’ Op het station ga ik haast van mijn stokje. Bij de kiosk haalt mijn lief een zakje. In de auto hou ik het open voor de borst. In de parkeergarage geef ik over, tot de papieren bodem door begint te lekken en ik net op tijd een prullenbak bereik.
Lijkbleek en zo slap als een vaatdoek lig ik even later in een tweepersoons hotelbed, ijskoud en diep weggekropen onder een dubbele laag dekens, met een champagnekoeler aan mijn zij, voor het geval. De helft van mijn schoonfamilie blijkt bezweken aan een virus. Hoe zou het overkomen, vraag ik me af, als ik straks weer ‘onwel word’, live op televisie? Zelden voelde ik me zo ellendig.
Beroerd of niet beroerd, the show must go on. Met het vooruitzicht van frisse lucht en beterschap brengt mijn lief me op de been. Langzaam lopen we door het donker naar de studio. Daar staar ik een poosje naar een kom Aziatische pompoensoep, maar laat alles staan. Wat er niet in komt, kan er ook niet weer uit. Kundig camoufleert de visagiste mijn gesteldheid met een blosje op mijn wangen en wat fut in mijn haar. Maar ik knap pas op als ik wat heb gedronken. Het blijkt mijn redding te zijn. Ik sla me met acute buikgriep door de extra lange uitzending heen, dankzij twee grote glazen cola.

In twijfel sta ik voor mijn kledingkast. Zwart maakt hard. Blauw is koud – en bovendien een beetje bloot. Zou rood met een patroontje ordinair zijn? Streepjes, zo is mij verteld, gaan trillen op de beeldbuis. Dat doe ik zelf al wel genoeg. En draag ik daar dan kousen onder of een panty, laarzen of pumps? Voor de zekerheid pak ik het allemaal maar in. Met een rugzak kan ik drie maanden op wereldreis, maar ik neem een weekendtas mee voor twee uurtjes in een studio.
Het is zaterdagochtend, kwart over vroeg. Maanden geleden sprak ik met mijn zus en schoonzus af om samen te gaan shoppen. Maar na mijn onverwachte onthulling bij Pauw, werd ik gevraagd vanavond mee te werken aan een primetime televisie-programma op SBS6, om geld in te zamelen voor onderzoek naar dementie. Of ik er iets voor voelde om deel te nemen aan het belpanel om donateurs te registreren, samen met de directeur en de professor? Kees Tol zou mij persoonlijk komen vragen naar mijn motivatie.
De angst slaat wederom toe. Zelfs na drie jaar, zelfs na Pauw en zelfs na alle hartverwarmende reacties draait mijn maag nog om, elke keer dat ik de akelige woorden van mijn uitslag spreek of tegenkom. Toch zeg ik ja. Ik stop de zwarte én de blauwe, de kousen én de panty, de laarzen én de pumps in mijn tas. Ik geloof niet dat ik bijzonder ijdel ben, maar als je over niets controle hebt, maakt alles uit. Soms zijn het de kleine dingen waar ik mijn houvast in vind.
En zo komt het dat ik met een mini-garderobe kleding, schoenen en makeup naar Haarlem reis om daar gedrieën te gaan winkelen voor nou ja, nog meer kleding schoenen en makeup. Pas in de trein schiet het me weer te binnen. Had mijn contactpersoon niet iets gezegd over een script? Volgens mij heb ik nog niets ontvangen. Zal ik ernaar vragen? Ze is vast hartstikke druk. Ik mail haar toch maar snel. En jawel, er is inderdaad iets mis gegaan, maar ze stuurt de instructies alsnog aan me toe.
Een paar minuten later barst ik in lachen uit. “Bij aankomst krijg je van mij een gele polo met een vergeet-me-niet-speldje. Die heeft iedereen in het belpanel aan.” Juist. Geel. Een polo. Laat ik nu enkel jurkjes hebben meegebracht. Maar ach, mijn enige zwarte broek, thuis in de kast, is grijs en heeft twee gaten. Misschien is het inmiddels tijd voor een vervangend exemplaar.
Vijf pashokjes, drie keer zoveel pantalons en een halve zaterdag later sta ik naast Kees Tol, in een gele polo maatje tent, met rode oren van het bellen en een enorme microfoon onder mijn neus. Ik sta te trillen op mijn pumps. Ik spreek de akelige woorden. We werven 8903 donateurs. Mijn spiksplinternieuwe soft touch slim fit mid rise inktzwarte skinny jeans komt überhaupt niet in beeld. Oja. Soms zijn de kleine dingen ook gewoon maar kleine dingen. Niet zwart, niet blauw, niet rood, maar geel.

Het was het laatste dat ik las voordat ik ging slapen. ‘Dementie is niet te genezen.’ ‘Voor mijn moeder is het toch te laat.’ ’Hoeveel verdient de directeur?’ Een reeks akelige reacties op een Facebookcampagne van Alzheimer Nederland, om geld in te zamelen voor onderzoek. Zuur, zeurend en zeikend werd hier uitgespeld waar ik zo bang voor was. Dat het niet over zou komen. Dat ze er niets van zouden begrijpen. Dat ik ten diepst gekwetst zou worden in mijn diepste kwetsbaarheid.
Droomloos doezelde ik door de nacht tot de ochtend me tenslotte wakker maakte voor De Dag.
Kruipend vlogen de uren voorbij. En nog kon ik het niet. Een handvol lieve vrienden wist het al wat langer. Mijn vader, mijn zus, mijn broer en zijn vriendin hoorden het pas anderhalve week geleden, sinds ik volkomen onverwacht voor het programma was gevraagd. De mail om mijn naasten te informeren stond al dagen klaar, maar ik kreeg ‘m niet verzonden. Met één sneltoets zou ik de glazen bubbel van onwetendheid versplinteren, die mij drie jaar lang had beschermd. Command-shift-d. Ik sloot mijn laptop, zette mijn telefoon op niet-storen en rende letterlijk weg.
En toen toch ook maar weer terug. Vijf zonnig zware kilometers over een brug tussen het eiland en de stad, tussen een keuze en de consequenties, tussen het bekende en het onvoorspelbare.
’Een item van twaalf minuten,’ had mijn redactrice Kelly gezegd. ‘Bovengemiddeld lang.’ Ik bleef maar rekenen en redeneren. Twaalf minuten gedeeld door twee gasten, een professor plus een presentator. Misschien kreeg ik maar honderdtachtig seconden, om een taboe van generaties te doorbreken. Een angst zo groot dat ik er duizendvierentwintig dagen over zweeg. Welke woorden kies je daarvoor? Hoe kon ik die spreken, zonder te breken?
Douchen. De jurk aan. Geen nieuwe, maar een oude, die mijn lieve moeder ooit nog had gezien en goedgekeurd. Haar talisman in mijn tas. De auto in. De A325, de A15 en de A2. Drie happen lucht in het Westerpark. Twee happen vis in het Mediacafé. Een slok koffie zonder cafeïne.
Bij de visagie kreeg ik geen masker, maar mijn eigen herkenbare gezicht geschminkt. Hoe liep dat uit, als ik het straks niet droog kon houden? Ik durfde het niet te vragen. Dapper bleef ik handen schudden. Kelly. De professor. Jeroen Pauw. Ze kwamen in de grote spiegel voorbij, terwijl mijn lippen bij mijn kleding werden gekleurd en mijn haren in model getoupeerd. Hoe kon ik nog succes geknuffeld worden, zonder iemand met foundation te besmeuren?
Nog even door het script. Kordaat ritsten vreemde handen mijn jurkje tot mijn middel open. Het kastje van de microfoon moest vast aan mijn bh. Ik hield mijn gestylede lokken braaf omhoog en liet het allemaal gebeuren. Straks, straks was ik naakt. Straks was ik naakter dan ik ooit was geweest. Straks was ik naakt, voor de ogen van heel Nederland. Of misschien een slordige miljoen.
De trap af. De studio in. Aan tafel bij PAUW. Mijn lief zei: ‘Ik zit achter jou.’ Het kastje knelde op mijn ruggengraat, de lampen schenen zo fel en helder dat ik enkel donker zag.
Opeens was het begonnen. Lubach won een ring. Zalm praatte lang zonder dat hij iets zei. Verschrikkingen rond Anne Faber. Ze gingen aan me voorbij. Ik was alleen maar bezig met dat ene moment in hyperconcentratie. Die paar woorden. De ode aan mijn opa, mijn oom, mijn moeder, aan al die mensen die niet meer konden spreken voor zichzelf. Ik claimde meer dan mijn honderdtachtig seconden en ik stal er nog een paar van Javier. Niets is zo belangrijk als het hier en nu.
Cabaret, applaus en toen was het klaar.
Ik zocht en vond mijn lief. Kelly zocht en vond mij. Het zweet brak me uit en ik weet nog precies wat ze zei: ‘Twitter is ontploft. We zeggen altijd, je moet niet kijken, maar dit moet je zien. Iedereen praat hierover. En het is alleen maar positief.’

Een zintuiglijke beschrijving van een gebeurtenis in de buurt

Zodra ik wakker ben, trippelt ze op blote voetjes naar mijn bed. ‘Vandaag gaan we naar buiten, toch?’
‘Ja, prinses, vandaag gaan we naar buiten. Na het ontbijt.’
Als alle chocopasta, krokovlokken én de korstjes op zijn, klautert ze in haar maillot bij mij op schoot. Ik kriebel haar tenen in mijn handen, zij kriebelt met haar staart in mijn gezicht. ‘Gaan we?’
‘Ja, we gaan.’
Haar oudste broer past nét op het hoge zadel, haar jongste broer heeft lucht in voor- én achterband en nog even, dan is zij ook het kinderzitje ontgroeid. Papa gespt haar vast en daar gaan we, met z’n allen op de fiets, de brug over, de stad uit. De wind is moe gewaaid, de zon is uitgerust en zilveren sterren glimmen op de hakken van haar blauwe schoentjes. De jongens kletsen al slingerend, zij kwebbelt stabiel bij papa achterop. Halverwege dalen we een lange trap af, voor een picknick aan de Waal met zicht op de benedenstad.
Containerschepen ronken ons voorbij, hun golven kietelen de oever. Naast me op het bankje hoor ik de jongens zuchten, tevreden met een pakje Wicky en twee witte bolletjes. ‘Hoeveel plakjes worst heb jij?’ Hun benen bungelen over de rand, haar beentjes rennen over het strand. In de kleine zakken van haar roze vest verdwijnen handenvol met zand. Zo nu en dan schittert het water, aan de overkant glinstert een een ruit, hier glanst een gouden randje om de zaterdag.
Stapvoets fietsen we weer verder, de oudste aan mijn zij, papa met de kleine voor me, en de derde enthousiast aan kop. Dan een schreeuw, een schoen, een noodstop en zo hard heb ik haar nooit eerder horen brullen. De fiets af, het voetje los, haar maillot voorzichtig uit. Ze brult, ze blijft maar brullen. ‘Papa, ik wil nooit meer achterop.’ We checken haar benen, haar tenen, haar enkel en o god, die schaafwond. Zoiets heb ik nog nooit gezien. Ze brult en blijft maar brullen, het geluid als een directe lijn tussen haar pijn en ons gevoel. ‘Naar de huisarts, eerste hulp? Neem jij haar mee, dan neem ik de jongens wel.’ We ruilen fietsen, sleutels, onze plannen.
Haar broers zijn allebei van slag. Ik leid ze af in een museum met een mammoetbot en daarna de Intertoys. Papa laat ondertussen weten dat ze stil is en wordt doorverwezen naar een arts. Die vraagt of de kleine meid al weet wat ze wil worden als ze later groot is? ‘Ja hoor,’ vertelt ze ernstig, ‘ik word prinses.’
Zij komt thuis met haar gekneusde enkel in het gips en mag een week niet staan of lopen. Wij komen thuis met kroonjuwelen in een roze tasje als kado en dragen haar een weekend lang op handen. Bijna als een prinses.

Maximaal acht zinnen met drie verplichte woorden

De winter kleurt de laatste weken enkel in zwartwit en sepia, met soms een streek pastel, verlopen als een fletse aquarel met veel te weinig verf voor zoveel hemelwater. Dan bestormt een woeste zuidwester de wolken en veegt, stuift, jaagt ze door de lucht om al het grijze grauw te absorberen uit het zachte blauw. Terwijl ik binnen zit te wachten tot het buiten beter wordt, ritst plotseling de lente haar etuitje open en spettert vlijtig felle kleuren in het gras. Eerst een bleekpaars krokusje, dan knallen ook de gele uit de grond en daarna duurt het niet lang meer voordat een brutale narcis tettert dat het tijd is voor de paarse, roze, rode tulpen en misschien een hyacint? In alle vroegte kwettert een stel vogeltjes me wakker, om het hele huis te poetsen en te luchten, met de ramen en de deuren open, wagenwijd en dagenlang, want de zon, de zon, die komt er aan! Met eitjes en ijsjes, met rokjes en rosé, met sproetjes op mijn neus en sprietjes tussen mijn tenen, met kikkerdril en kuikentjes en kalverliefde. Maar het is pas voorjaar als ik een eendje heb gezien.