Posts


Zodra de voordeur open gaat, weet Dafna genoeg. Haar zoon dient in het Israëlische leger. Ze zakt ineen op de vloer en wordt platgespoten met kalmeringsmiddelen door een delegatie van soldaten. Haar man reageert evenwel apathisch, alsof de boodschap nog niet helemaal is doorgedrongen tot hem.
Maar wel bij mij. In een beklemmend drama van drie bedrijven komt de eerste klap zo verpletterend hard aan, dat ik niet anders kan dan lachen om de droogkomische kameel waar het tweede deel mee opent. Terstond is de toon totaal anders, evenals die in het derde deel, dat opnieuw verfrissend afwijkt van de rest.
Al blijft de thematiek gelijk. Het leven is een dans met de dood. Verlies, verdriet en de onontkoombaarheid aan het noodlot zijn gedrieën aanwezig in de overtreffende trap. Maar teveel van het goede is iets anders dan slecht. Foxtrot grijpt je naar de keel en benadrukt ijzersterk hoe de dingen anders hadden kunnen lopen als, mits, maar, tenzij – of toch?


Johnny’s leven als enige zoon op een afgelegen schapenboerderij in Schotland is hard. Hij werkt van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, heeft een beestachtig vluggertje met een dorpsknul in zijn veewagen en zuipt tot hij tot hij ’s ochtends wakker wordt in de drek.
Tot een Roemeense immigrant komt helpen in het lammerseizoen. Hoewel Gheorghe in geen enkel opzicht voor hem onder doet, heeft de exotische ‘zigeuner’ een zachtheid over zich waar Johnny niet mee uit de voeten kan. Een intense spanning bouwt op.
In een schril contrast tussen het ruige landschap en het prille leven van de pasgeboren lammetjes ontluikt een primitieve liefde tussen de beide mannen. Die ontwikkeling gaat gepaard met weinig woorden maar een enorme overtuigingskracht.
Wanneer Gheorghe vraagt: ’What do you want?’ antwoord Johnny: ‘I want it to be different.’ Alleen hoe brengt hij zulke uitersten tot elkaar? Het begin is rauw, het eind een tikje zoet, maar het middenstuk ontwapenend goed. Na afloop kijk ik er zelf ook anders naar.


Columbus. 2045. Wade Watts woont in een sloppenwijk van opgestapelde caravans waarin hij alleen fysiek verblijft, het echt leven speelt zich af in een virtuele realiteit. Voordat de schepper overleed heeft hij een Easter egg verstopt; wie het weet te vinden, zal zijn digitale universum erven. Wade gaat de uitdaging aan.
Wat volgt is een fantastisch avontuur door een wereld van popcultuur, waarin alle iconische films, games, en muziek samen zijn gebracht tot één chaotisch geheel. Van King Kong tot The Shining en Stayin’ Alive, de film is een throwback van bijna twee-en-een-half uur. Science fiction als een spectaculaire race terug in de tijd.
Het plot is flinterdun, maar dat mag de pret niet drukken – sterker nog, die spat van het scherm en resoneert in de zaal. Voor liefhebbers van vermaak uit de jaren ‘70 en ‘80 is dit een feest van herkenning. Ondanks de ogenschijnlijke oppervlakkigheid werpt de film wel degelijk vragen op. Gaat de weg voorwaarts met volle kracht achteruit?


‘Ik ga dood,’ zegt Elisabeth, recht in de camera, meer tegen het publiek, dan tegen haar dochter, want ‘ik weet nooit wat ik tegen d’r moet zeggen’. Er zijn moeders en dochters die elkaar omhelzen, maar zo’n relatie hebben zij niet. Coco weet precies wat ze daartegen wil doen. ‘Als ik nou eens een tijdje bij je kom wonen?’
Alles zit erin. Een moeder die niet om kan gaan met haar enige kind, een dochter die vlucht in een relatie met een oudere man en de dreiging van de naderende dood. De thematiek is krachtig, het plot is compleet en er is meer dan genoeg niet altijd even functionele ‘Hollandse sex’.
En toch. Komt het door het doorbreken van de muur naar de zaal, het acteerwerk dat vaak bij spelen blijft of de wat ongeloofwaardige ontwikkeling van het verhaal? Soms blijven de emoties onderbelicht, soms worden ze expliciet benoemd en soms zijn ze overdadig vertoond, maar vaak te weinig gevoeld. Het komt niet tot een omhelzing tussen de dames en mij.


Kun je met een glimlach kijken naar een film over het lot, ouderdom en de dood?
De droogkomische en hoogbejaarde Lucky staat iedere ochtend op met een sigaret, een glas melk en vijf yoga-oefeningen. Hij vult zijn dagen met een kruiswoordpuzzel in de diner, een spelshow op de televisie en een bloody mary in de kroeg. Om zijn sterfelijkheid maakt hij zich geen moment druk. Tot hij valt, op zijn knokige kont.
‘Tjsah,’ zegt zijn huisarts. ‘Hoe ouder je wordt, des te langer je leeft. Niets aan te doen.’ Met een knipoog en een lolly stuurt hij de verstokte cowboy naar huis. Lucky stiefelt verder door zijn dagen, nog steeds kranig maar nu ook fragiel. Hij is bang, voor de leegte en eenzaamheid van het niets. Hoe gaat hij die tegemoet? Zijn antwoord is simpel. ‘You smile.’
Ik kijk met een glimlach, de hele film lang. Lucky is een ontwapenend mooi eerbetoon aan het leven en de 91-jarige hoofdrolspeler – die een week voor de première stierf.

Vier concentratiekampen overleven en dan een bestseller schrijven over wat de zin is van ons bestaan. Daar heb ik bij voorbaat bewondering voor. En als ik bij het voorwoord zelfs mijn glaasje wijn wegschuif om geen woord te hoeven missen, dan heb ik misschien al meer dan voldoende gedeeld. Wat een man. Wat een verhaal. Wat een levensfilosofie.
Victor Frankl had nog kunnen ontsnappen. In 1942 wachtte hem een visum voor immigratie naar Amerika om zijn boek over logotherapie te voltooien, maar hij besloot in Oostenrijk te blijven voor zijn ouders. Kort daarop werd de psychiater met zijn familie gearresteerd en gedeporteerd, naar achtereenvolgens Theresienstadt, Auschwitz-Birkenau, Kaufering en Türkheim.
Daar werd de man gestript, geschoren en gereduceerd tot Nummer 119104. Onderworpen aan de wreedheid en willekeur van sadistische SS’ers en bevoorrechte gevangenen, die soms nog harder waren dan bewakers, wist hij de laatste humane vrijheid te bewaren: zelfs als het je lot is om te lijden, kun je zelf kiezen hoe je die last draagt.
Het maakte niet meer uit wat hij van het leven verwachtte, het ging er om wat het leven verwachtte van hem. Gedachten aan zijn vrouw en zijn werk dreven hem voort. ‘Niets helpt zo effectief om met een uitzichtloze situatie om te gaan,’ schreef Frankl later, ‘als de zin van je bestaan.’ Of zoals Nietzsche formuleerde: ‘He who has a why to live for can bear almost any how.’
Dat uitgangspunt vormt de basis van de logotherapie, waar hij de tweede helft van zijn boek en de rest van zijn leven aan heeft gewijd.
Na drie gruwelijke jaren waarin hij bijna aan tyfus bezweek, werd Frankl bevrijd om bij zijn terugkeer in Wenen te ontdekken dat zijn ouders, zijn broer en zijn zwangere vrouw in concentratiekampen waren vermoord. Toch schreef hij kort daarop in slechts negen opeenvolgende dagen Man’s Search for Meaning, in de hoop daarmee iets te kunnen betekenen voor anderen.
Hij stelde zingeving centraal, als manier om ellende te overleven, maar ook om geluk en succes te ervaren. Niet als een doel op zichzelf, want hoe meer je daarop mikt des te meer je het mist, maar als een onbedoeld neveneffect van een toewijding aan iets of iemand, groter dan jezelf. Net zoals je een oprechte lach niet af kunt dwingt op commando, maar uitlokt met een reden.
Zijn betoog werd massaal omarmd. Meer dan 12 miljoen exemplaren zijn verkocht in meer dan 24 talen. Amerikaanse lezers benoemden het tot een van de 10 meest invloedrijke boeken die je leven kunnen veranderen. Frankl wordt internationaal geroemd als bron van inspiratie en als grondlegger van zijn logotherapie die inmiddels wereldwijd wordt toegepast in de psychiatrie.
Zelf vond hij een nieuwe vrouw, nam vlieglessen en volgde zijn levenslange passie voor bergbeklimmen. Dit alles naast een indrukwekkende staat van dienst als psychiater. Het was de zin van zijn leven geworden om anderen te helpen de zin van hun leven te vinden. Hij stierf op 92-jarige leeftijd, als het ultieme bewijs en voorbeeld van zijn eigen overtuiging.

Deze recensie schreef ik voor YouBeDo, de online boekenwinkel waar je met elke aankoop bijdraagt aan je goede doel.


Je kunt bijna alles in de voering van een jas vast naaien. Een geheim verbergen in de zomen van een kledingstuk. Dingen waarvan jij alleen weet dat ze er zijn. Aldus Reynolds Woodcock, een gevierde couturier in het Londen van de jaren vijftig van de vorige eeuw, die zijn omgeving met mode manipuleert.
Tot hij valt voor Alma, een ogenschijnlijk verlegen serveerster die zich al gauw onlosmakelijk aan hem verbindt als model, muze en in zekere zin meesteres. Wat volgt is een subtiele krachtmeting van liefde, controle en macht. Hoe dwingender hij domineert, hoe inventiever zij reageert, balancerend op de grens van gevaar.
De rode draad van het verhaal is heimelijk verweven in de scènes van de film. Soms haast onzichtbaar weggewerkt, dan weer in elegant plooien gedrapeerd. Achteraf probeer ik de lijnen te herleiden tot een patroon, te ontleden waar de verborgen boodschap zat verstopt en of die er daadwerkelijk was?



Volgens kenners is dit waargebeurde verhaal het meest besproken schandaal uit de Amerikaanse sportgeschiedenis. Over een kunstschaatster die zich letterlijk een weg vecht naar de wereldtop – en op haar hoogtepunt figuurlijk naar beneden valt, waarna ze voorgoed wordt verbannen van ijs.
Tonya Harding begint haar carrière met een valse start. Haar moeder neemt drie baantjes om haar lessen te betalen en naait zelf de uniformen voor haar competities, terwijl haar vader de konijnen voor een bontjas schiet. Hoe goed ze ook haar best doet, ze voldoet het niet aan het geraffineerde ideaalbeeld van de jury.
Noch aan de verwachting van haar achterban, die haar met verbale en fysieke mishandeling ‘stimuleert’. Toch wordt Tonya de eerste Amerikaanse vrouw die een driedubbele axel in een wedstrijd presteert. Een olympische titel lijkt binnen bereik, maar dan gaat het mis.
De mockumentary schiet even brutaal over het scherm als de ster door haar kür, maar soms met ongepaste spot. Na afloop vraag ik me af: is ze zo hoog geklommen en zo laag gezonken ondanks of dankzij haar achtergrond?

Hoe is het om op te groeien als enige dochter in een groot agrarisch en streng gelovig gezin op het Zeeuwse platteland? Opvallend anders en toch ook verrassend normaal, afgaande op Dorsvloer vol confetti, door Franca Treur.
De twaalfjarige Katelijne Minderhoud wordt geboren als middelste van zeven jongens op in een zwartekousengemeenschap. Meisjes dragen hun haren lang, hun rokken wijd en op zondag zelfs een hoedje naar de mis, ’s zomers wel drie keer per dag. Want ‘[w]ie zalig wil worden, moet de middelen gebruiken: de Bijbel lezen, naar de kerk gaan en naar de catechisatie.’
Alsof dat nog niet genoeg is, leest de vader ’s avonds voor de Schrift, waarvan een groot deel bestaat uit ’wetten, wijsheden en waarschuwingen, die saai zijn en onbegrijpelijk.’ Maar op zondagavond blijft de Statenbijbel dicht en neemt de moeder de kinderbijbel ter hand. Dan voelt Katelijne de warmte van de familieband. ’Lang kan het samenzijn echter nooit duren, er zijn volle uiers die wachten. Koeien gaan voor.’
Voor de jongens althans. Als de vader zegt dat het vee worden gevoerd, weet iedereen zonder dat het ooit is uitgesproken, ‘dat Katelijne haar overall en klompen onaangeroerd kan laten staan. Werkorders krijgt Katelijne van de moeder en complimenten krijgt ze wanneer de orders niet nodig zijn geweest, als de moeder boven komt en alle bedden al opgemaakt aantreft en als de wc al glimt nog voordat de moeder haar de soda wijzen kan.’
Eenmaal helpt ze haar vader met melken, in een overall van haar broer met de rok zo goed mogelijk over de pijpen verdeeld. In de stal met zeventig koeienlijven is het behaaglijk. Terwijl de vader haar de kneepjes van het vak bijbrengt die je niet op de landbouwschool leert, doet Katelijne haar uiterste best – om uiteindelijk een essentieel detail te missen, waarna het niet langer de bedoeling is dat zij ooit nog in de melkstal komt.
Gedurende het hele boek wisselt de auteur op even lichte als authentieke toon de vrome woorden van de tale Kanaäns af met agrarisch jargon, Zeeuws dialect en treffend mooie beeldspraak, zoals de ‘lauwe keuken van de oma’ die ‘wasemt als de gapende mond van iemand die net wakker wordt’, de dikke veekoopman die plaatsneemt ‘met zijn buik op schoot’, en de ochtend die er ‘prachtig fijnbedruppeld’ bijligt, fris als een beslagen fles mineraalwater uit de koelkast.
Treurs debuut is niet auto- maar wel biografisch. Ze groeide in Zeeland op en ging als eerste uit haar familie naar de universiteit, om Nederlands en literatuurwetenschappen te studeren. In tegenstelling tot Katelijne brak ze zelf later wel met het geloof. Haar roman werd het meest bejubelde debuut in jaren, winnaar van diverse prijzen, voor andere genomineerd en in 2014 verfilmd.
Ondanks het decor van het gereformeerde boerenbestaan gaat het verhaal in essentie over Katelijne’s verlangen om mee te tellen en de impact van boeken, waar nota bene de oma tegen waarschuwt. ‘Dan zal Hij zijn dorsvloer voorzuiveren,’ staat in de Bijbel. ‘Hij zal Zijn tarwe in Zijn schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden.’ De vraag is: ‘wat zul je straks zijn, m’n kind, als je voor Zijn rechterstoel zal staan: kaf of koren?’
‘Verhalen,’ aldus de veekoopman, ’daar koop je tegenwoordig niks meer voor.’ Oordeel zelf.

Deze recensie schreef ik voor YouBeDo, de online boekenwinkel waar je met elke aankoop bijdraagt aan je goede doel.


Vastberaden door rouw en geteisterd door schuld laat Mildred Hayes drie metershoge reclameborden plaatsen langs de weg waar haar tienerdochter zeven maanden eerder bruut werd vermoord. De provocerende inhoud doet nogal wat stof opwaaien in het kleine plaatsje Ebbing in Missouri.
Volgens Mildred is de politie drukker met het mishandelen van zwarte mensen dan een serieuze zoektocht naar haar dochters moordenaar. Toch ontvangt ze weinig bijval voor haar actie, die als een persoonlijke aanval wordt gezien op de lokale korpschef met kanker. Hoever mág zij gaan en hoever kán hij gaan in deze confrontatie?
Vind ik het in de eerste helft van deze tragische komedie nog ongemakkelijk dat ik hardop lach, in de tweede helft rollen onherroepelijk de tranen over mijn wangen. De film beroert niet alleen de uitersten van het emotionele spectrum maar verkent tegelijkertijd de grenzen tussen goed en fout, dader en slachtoffer, verlossing en verdoemenis – tot je je begint af te vragen waar het ene ophoudt en het ander begint?