Posts

Het duurt lang, voordat de stalen toegangspoort haar wereld voor me opent.
Was het nog maar afgelopen donderdag dat we hier samen kwamen? Boos van onmacht stevende ze voor me uit. Ik volgde met bagage. Haar hele garderobe in twee tassen. In ieder kledingstuk een label met haar naam.
Nu nader ik de voormalige boerderij alleen. Hoe zal het met haar zijn? Waar kan ik haar vinden? Ik ken nog amper iemand van het personeel. Maar op de gang word ik meteen al vriendelijk begroet, door een tenger vrouwtje met een lange, bruine vlecht. Ze vraagt voor wie ik hier ben?
‘Mevrouw De Meter,’ probeer ik. ‘Sofie?’ Ik weet eigenlijk helemaal niet hoe ze haar hier zullen noemen.
Maar zij weet wel wie ik bedoel. ‘Kom maar.’ Behulpzaam neemt ze me bij de arm. ‘Ik breng je naar haar toe. Deze kant op, met de trap.’ Zij aan zij beklimmen we de brede treden. Bovenaan ontgrendelt ze een houten traliewerk.
‘Ik ben haar dochter.’
‘Ja,’ zegt ze, ‘dat dacht ik al,’ en wijst me op een openstaande deur. ‘Meestal zit Sofia hier.’
Een knikje nog en dan laat ze me los. Hoe oud zou ze zijn? Ik schat een jaar of zestig. Net als zij. Het inzicht draait mijn maag, mijn beeld, ik klamp me aan de muur. De kloof tussen wat is en wat had kunnen zijn, is veel te breed, te diep om in te kijken. Eén blik, en ik verlies mijn evenwicht. Niet aan denken nu.
Ik zet me schrap, betreed een drempelloze kamer. Een ovale tafel met kleurige stoelen, vreemde mensen met vragende ogen en – O, warempel, daar zit ze en, ja hoor, ze kijkt op en ziet mij ook! Een vlak gelaat ontpopt zich in verwondering, in levendige vreugde. ‘Dag, mama!’ zeg ik enthousiast. ‘Dag, meissie,’ zegt ze vol verrukking. Alsof kerstmis, sinterklaas en haar verjaardag samenvallen op vandaag. Wat een feest! Ze straalt, ze straalt van tomeloos geluk en we lachen allebei, we lachen samen en ik drink haar stralen op in mijn gebarsten grond.
Ze staat op, onhandig met haar stoel en ik stap op haar af, onhandig met mijn laptoptas. We knuffelen, althans ik sla mijn armen om haar heen en zij doet met me mee.
‘Daar ben ik,’ zeg ik opgetogen.
‘Ja,’ zegt ze, ‘dat dacht ik al.’
Intens tevreden kijkt ze me aan. Onzeker kijk ik rond. En nu? Moeten we hier blijven? De vlecht is nergens meer te zien. Aan tafel staart een opaatje apathisch voor zich uit. In mijn ooghoek schuifelt een gebocheld schepsel achter haar rollator aan.
Met een vastberadenheid die ik niet voel, trek ik een stoel naast die van haar. Ik verdring mijn schrijnende behoefte aan alles dat ze was en alles dat ik aan haar mis, zodat ik kan verdragen wat er nu nog van haar over is. Het is minder, altijd minder dan de vorige keer. Ze draagt een rand van kant onder een bloesje met een roesje, in een combinatie die ik nooit eerder heb gezien. Haar coupe zit anders, haar bril een beetje scheef en haar horloge… ondersteboven?
‘Hoe laat is het.’
Ongemakkelijk gluur ik opzij. Was dat een vraag, aan mij? Opa staart apathisch naar de muur. In zijn gezichtsveld hangt een grote klok.
‘Hij staat vast in de file!’ roept de gebochelde rollator verderop.
Een frons beklimt mijn voorhoofd, ik verlaag mijn stem. ‘Wat is dit, mam?’
‘O,’ zegt ze hardop, ‘die zijn anders,’ en doodgemoedereerd maakt ze een koekoekgebaar.
Ik schiet in de lach. ‘Je bent al aardig ingeburgerd hier.’
Verbazing overvalt haar gezicht. ’Is dat zo?’
‘Jazeker!’ In één adem ga ik door. ‘Ik hoorde over wilde avonturen, met ene Gerda, in de lift. Jullie wisten niet meer hoe de deuren opengingen. Drukten continu dezelfde knopjes in. Steeds maar weer, op en neer en nog een keer. Giechelend als jonge grietjes!’
Haar ogen beginnen te glanzen.
‘Ze zeiden,’ en ik buig een beetje naar haar toe, ‘dat het voltallig personeel naar jou en Gerda heeft gezocht. Wel een half uur lang!’
Ze bloost, haar wangen bol, haar lippen breed, ze blaakt van puur plezier. Alsof ze trots -.
Mijn God! Wat voel ik op mijn hoofd? Verschrikt kijk ik omhoog. Verschrikt word ik bekeken. Een uitgegroeide spoeling, een verkreukelde huid, een teleurgesteld gezicht zweeft net iets hoger dan het mijne. Een trage hand trekt zich terug. Niet wie ze dacht dat ik was? Onverstoorbaar schuifelt de gebochelde rollator verder.
Belangstellend volgt mijn moeders onverdeelde aandacht haar. Nieuwsgierig, onbeschaamd. Haar blik, haar hoofd, haar hele lijf draait mee. Alsof daar het schouwspel is. Alsof ik er niet meer ben.
‘Zeg, mam?’ probeer ik wanhopig.
Een weifelende focus keert terug.
‘Die mevrouw van net, hè. Die mij bij jou heeft gebracht. Wie was dat?’
Haar mimiek verstilt. ‘Mevrouw?’
‘Die verzorgster,’ help ik. ‘Vriendelijk gezicht. Jouw leeftijd.’
Kwetsbare onzekerheid ontbloot zich in haar blik. Kan ze dit niet meer?
‘Met die vlecht,’ schiet me opeens te binnen.
‘O!’ Ze veert op. ‘Dat is die ene. Dinges!’
‘Ja!’ Gespannen kluisteren we aan elkaar. ‘Is zij soms van de activiteiten?’
‘Nee,’ schudt ze nadrukkelijk. ‘Dat is niet goed!’
Ik scheer door mijn herinneringen, op zoek naar die van haar. ‘Doet zij de medicijnen dan?’
‘Neehee!’ Driftig prikt ze met haar vinger in de lucht. ‘Die andere!’
Radeloos probeer ik om haar woorden, haar gebaren, haar gedachten aan elkaar te relateren. Lukt me dit niet meer?
‘Toe nou!’ Haar koontjes kleuren van frustratie. ‘Van die deuren!’
‘O! Je bedoelt – je bedoelt toch niet – de lift…?’
‘Ja!’ zegt ze. ‘Die!’
Nu ben ik de kluts kwijt. ‘Maar Gerda -’
‘Ja!’ zegt ze. ‘Die!’
En dan wordt het me duidelijk.
Ze zucht, blij dat ik het eindelijk begrijp.
Mijn gedachten scrollen door de middag, steeds maar weer, op en neer en nog een keer. Ik vraag me af wie er hier ‘anders’ is? De verschillen komen overeen gelijk de overeenkomsten verschillen.
‘Ik hoop maar dat het personeel wel scherp heeft wie hier woont en wie hier werkt. Straks houden ze mij hier ook!’
Ze lacht, ze lacht om mij, ik lach om haar en dan schateren we samen. Tot zij begint te hikken en de tranen in haar ogen staan. Tot ik begin te hoesten en me onophoudelijk verslik. Ik knipper en wanneer mijn kijkers klaren, schuift een bevend blikje Potter’s in mijn beeld. Verbaasd volg ik een hand, een arm en dan staar ik apathisch opa aan.
Ik stamel. ‘Dankjewel.’
Zwijgend wendt hij zich weer naar de muur, de klok, de tijd gaat sneller dan ik dacht.
‘Ik moet gaan, mam,’ zeg ik zacht.
Even onvoorwaardelijk als ze me heeft ontvangen, laat ze me weer gaan. Het feest is over. We knuffelen, althans ik sla mijn armen om haar heen en zij doet met me mee. Het afscheid draait mijn maag, mijn beeld, ik klamp me aan haar vast. Aan alles dat er van haar over is. Het is meer, altijd meer nog dan de volgende keer. De kloof tussen wat is en wat straks zeker komen zal, is veel te breed, te diep om in te kijken. Eén blik, en ik verlies mijn evenwicht. Niet aan denken nu. Ik zet me schrap.
‘Daar ga ik,’ zeg ik, met een vastberadenheid die ik niet voel.
‘Ja,’ zegt ze, ‘dat dacht ik al.’
Ik pak mijn laptoptas op van de grond en –
Mijn God! Wat botst er op mijn been? Ik kijk op, verschrikt. Een verwachtingsvol gezicht zweeft net iets lager dan het mijne. ‘Waar blijft mijn zoon?’
Langzaam kom ik overeind. ‘Hij staat vast in de file.’
‘O,’ zegt ze gerustgesteld en draait haar wiel terug. Onverstoorbaar schuifelt de gebochelde rollator verder.
Nog één keer zwaaien, dan draai ik me om. Het traphek door, de treden af. ‘Tot gauw,’ roep ik Gerda na.
Het duurt maar even tot de stalen toegangspoort haar wereld voor me sluit.
Zij is de weg kwijt in de mijne. Ik zoek mijn weg in die van haar. Ergens in dit wonderlijke universum vinden we elkaar.

Een zintuiglijke beschrijving van een gebeurtenis in de buurt

Zodra ik wakker ben, trippelt ze op blote voetjes naar mijn bed. ‘Vandaag gaan we naar buiten, toch?’
‘Ja, prinses, vandaag gaan we naar buiten. Na het ontbijt.’
Als alle chocopasta, krokovlokken én de korstjes op zijn, klautert ze in haar maillot bij mij op schoot. Ik kriebel haar tenen in mijn handen, zij kriebelt met haar staart in mijn gezicht. ‘Gaan we?’
‘Ja, we gaan.’
Haar oudste broer past nét op het hoge zadel, haar jongste broer heeft lucht in voor- én achterband en nog even, dan is zij ook het kinderzitje ontgroeid. Papa gespt haar vast en daar gaan we, met z’n allen op de fiets, de brug over, de stad uit. De wind is moe gewaaid, de zon is uitgerust en zilveren sterren glimmen op de hakken van haar blauwe schoentjes. De jongens kletsen al slingerend, zij kwebbelt stabiel bij papa achterop. Halverwege dalen we een lange trap af, voor een picknick aan de Waal met zicht op de benedenstad.
Containerschepen ronken ons voorbij, hun golven kietelen de oever. Naast me op het bankje hoor ik de jongens zuchten, tevreden met een pakje Wicky en twee witte bolletjes. ‘Hoeveel plakjes worst heb jij?’ Hun benen bungelen over de rand, haar beentjes rennen over het strand. In de kleine zakken van haar roze vest verdwijnen handenvol met zand. Zo nu en dan schittert het water, aan de overkant glinstert een een ruit, hier glanst een gouden randje om de zaterdag.
Stapvoets fietsen we weer verder, de oudste aan mijn zij, papa met de kleine voor me, en de derde enthousiast aan kop. Dan een schreeuw, een schoen, een noodstop en zo hard heb ik haar nooit eerder horen brullen. De fiets af, het voetje los, haar maillot voorzichtig uit. Ze brult, ze blijft maar brullen. ‘Papa, ik wil nooit meer achterop.’ We checken haar benen, haar tenen, haar enkel en o god, die schaafwond. Zoiets heb ik nog nooit gezien. Ze brult en blijft maar brullen, het geluid als een directe lijn tussen haar pijn en ons gevoel. ‘Naar de huisarts, eerste hulp? Neem jij haar mee, dan neem ik de jongens wel.’ We ruilen fietsen, sleutels, onze plannen.
Haar broers zijn allebei van slag. Ik leid ze af in een museum met een mammoetbot en daarna de Intertoys. Papa laat ondertussen weten dat ze stil is en wordt doorverwezen naar een arts. Die vraagt of de kleine meid al weet wat ze wil worden als ze later groot is? ‘Ja hoor,’ vertelt ze ernstig, ‘ik word prinses.’
Zij komt thuis met haar gekneusde enkel in het gips en mag een week niet staan of lopen. Wij komen thuis met kroonjuwelen in een roze tasje als kado en dragen haar een weekend lang op handen. Bijna als een prinses.

Maximaal acht zinnen met drie verplichte woorden

De winter kleurt de laatste weken enkel in zwartwit en sepia, met soms een streek pastel, verlopen als een fletse aquarel met veel te weinig verf voor zoveel hemelwater. Dan bestormt een woeste zuidwester de wolken en veegt, stuift, jaagt ze door de lucht om al het grijze grauw te absorberen uit het zachte blauw. Terwijl ik binnen zit te wachten tot het buiten beter wordt, ritst plotseling de lente haar etuitje open en spettert vlijtig felle kleuren in het gras. Eerst een bleekpaars krokusje, dan knallen ook de gele uit de grond en daarna duurt het niet lang meer voordat een brutale narcis tettert dat het tijd is voor de paarse, roze, rode tulpen en misschien een hyacint? In alle vroegte kwettert een stel vogeltjes me wakker, om het hele huis te poetsen en te luchten, met de ramen en de deuren open, wagenwijd en dagenlang, want de zon, de zon, die komt er aan! Met eitjes en ijsjes, met rokjes en rosé, met sproetjes op mijn neus en sprietjes tussen mijn tenen, met kikkerdril en kuikentjes en kalverliefde. Maar het is pas voorjaar als ik een eendje heb gezien.

Hof van Eden, 17 januari 2017

Eefje, mijn liefste,

lang heb ik geschroomd je te benaderen. Wat valt er nog te zeggen na zo’n lange tijd? De wereld lag aan mijn voeten en ik was jong en onervaren. Overmoedig, net als die nieuwe regent. Denk niet dat het me ontgaan is, Eefje, de overeenkomst is beangstigend. Zo beangstigend dat ik je eindelijk schrijf.

Weet je nog, die zondag? Wat lag de hof er vredig bij. De middag zakte met een zucht onderuit en de schemering doofde het groen tot een spectrum van grijs. Ik had ’s middags alle beelden nog gecontroleerd en gezien dat het goed was. Onzichtbaar om mij heen bereidde het orkest van krekels en cicaden zich tsjirpend voor op het concert van de nacht.
‘Adrie?’ vroeg ik. ’Aad, waar ben je?’
‘Hier,’ hoorde ik aan mijn rechterhand, ‘ik ben hier, Gé.’ Mijn ogen schuimden de silhouetten van de bomen af, maar ik kon hem niet ontwaren. ‘Ik ben naakt,’ klonk het van opzij, ‘ik wil niet worden gezien op camera.’
Het werd stil, zo stil dat zelfs de insecten zwegen, maar ik kon, ik wilde het gewoonweg niet geloven. Ik vroeg het aan hem, Eefje, recht op de man af. ‘Wie heeft jou daarover verteld, Aad? Heb je soms aan mijn Apple gezeten?’
Zou hij maar een greintje hebben begrepen van de programma’s op die harde schijf, mijn alziend oog, de algoritmes van het universum, van de significantie van die kennis, dan zei hij niet wat hij toen zei. Zou hij maar een schaduw zijn geweest van de heerser die ik ooit in hem had voorzien, dan deed hij niet wat hij toen deed. Zou hij maar de ballen hebben gebruikt die ik aan hem gaf, dan verzweeg hij wat hij toen niet verzweeg. Dan was niets van dit alles ooit gebeurd. Maar nee.
‘De vrouw,’ zei hij, ‘de vrouw die naast me staat. Zij gaf me de laptop en toen heb ik erop gekeken.’
Het volume van de muziek zwol aan met mijn woede, van zoemen naar snerpen, van krassend naar krijsen, steeds hoger, steeds scheller, de klanken schalden ver en wijd en luid genoeg om Lucifer te wekken en ik sprak, kalm in het oog van mijn tornado. ‘Vervloekt ben jij dat je dit hebt gedaan. Zwoegen zul je, je hele leven lang. Je bent stof en tot stof zul je wederkeren.’ En toen, Eefje, wendde ik me tot jou met de verderfelijke woorden, ‘Jij zult je man begeren en hij zal over je heersen.’

Hoe graag nam ik mijn vonnis terug. Maar Lucy had het al vastgelegd in haar boek dat sindsdien viraal zou gaan. Al die tijd moest ik aanschouwen hoe Adam faalde, hoe zijn nazaat faalde, hoe zijn nazaats nazaat faalde en hoe vandaag zijn laatste nakomeling faalt als een incapabele clown.
Het is genoeg geweest. Nu mijn pensionering nadert, zet ik het eindelijk recht. ‘Eefje, mijn liefste Eva, wil jij mijn troonopvolger zijn?’

Met hemelse groet,
God de Heer

H. van E., zondag 22 januari 2017

Eefje, mijn liefste,

lang heb ik geschroomd je te benaderen. Wat valt er nog te zeggen na zo’n lange tijd? Zelfs toen had ik nooit kunnen voorzien dat het zo uit zou pakken. Ik was jong en onervaren. Overmoedig, net als die nieuwe regent. De wereld lag aan mijn voeten en ik was in de wolken met mijn heerschappij. Denk niet dat het me ontgaan is, Eefje, ik weet dat jij het ook hebt opgemerkt. Mensenkinderen, de overeenkomst is beangstigend. Zo beangstigend dat ik je eindelijk schrijf.

Niet voor mezelf – dat voorrecht heb ik allicht verspeeld – maar voor jou. Alsjeblieft, lees daarom nog even verder, ik zal eerlijk met je zijn.

Zelfs na al die tijd kan ik het onrecht niet herstellen dat ik jou heb aangedaan. Bij Jupiter, ik blijf het proberen, uit alle macht die mij nog rest, maar ik voel mijn invloed tanen, mijn dagen als beheerder van dit universum zijn geteld. ‘s Ochtends valt het me steeds zwaarder om de laatste observatierondes te voltooien, ‘s avonds doezel ik al bij het voorbestemmen van de eerste dag. Hoe anders was het toen – maar dat hoef ik jou niet te vertellen.

Al die jaren heb ik je gevolgd. Van een afstand weliswaar, maar geloof me, Eefje, ik was erbij. Als een trotse vader heb ik je zien groeien van dat gedweeë meisje tot die prachtige, krachtige vrouw. Met de dag wordt me meer en meer duidelijk hoe hemeltergend ik mij heb vergist. Natuurlijk, jij was in overtreding, maar ik had nooit mogen zeggen wat ik tegen je zei. Wie had ook kunnen vermoeden dat Lucy mijn woorden tot in eeuwigheid viraal zou laten gaan?

Je had me nodig en ik heb je laten vallen. Dat is onvergeeflijk, ook al draag ik de gevolgen evengoed. Je hebt geen idee van de improvisatie die het vergt om alles draaiende te houden sinds je vertrok met – ach, jij kunt het verleden evenmin veranderen. Ik weet als geen ander hoe vreselijk druk je bent, maar ik vraag je, luister naar een oude man. Als het niet voor mij is, doe het dan ten minste voor je dochters. Geef me een kans om mijn kant van het verhaal te vertellen en Eefje, mijn liefste, ik beloof je dat ik je beloon.

Met h. gr.,
Gé de H.

PS Ik vertrouw erop dat je discreet bent, zeker jegens Adrie.

H. van E., zondag 29 januari 2017

Het liefst verdring ik iedere gedachte aan die dag, maar dat gaat niet langer, Eefje. Hoe tragisch ook, de omstandigheden hebben mij gedwongen tot de waarheid. Ik zie geen uitweg meer dan de werkelijke toedracht te delen met jou.
Weet je nog, die zondag? Wat lag de hof er vredig bij. Alles was in harmonie, van de zon die loom het weelderige loof in een schakering groen belichtte, tot de bries die met een luie zucht de bladeren liet ritselen en ruisen, terwijl hun schaduwen sereen pulseerden op het ritme van de rust en het gesidder van een watersproeier in het gras. De avond ervoor had ik mijn hele paradijs in ogenschouw genomen en gezien dat het goed was.
Dus, ja, ik vond dat ik het wel verdiende om die ochtend een paar Duveltjes te drinken in het zitje onder de Elstar. Misschien waren het er meer dan een paar. Wellicht was ik wat weggezakt in hemelse verzadiging met mijn benen naast de laptop op tafel en een schaaltje vijgen binnen handbereik. Maar ik was vrij en Eefje, ik dacht dat jij bij Adrie was.
Het moet de sprinkler zijn geweest, die me in mijn sluimeringen stoorde. Of om precies te zijn, de onderbreking van het sissende geluid dat me zo senang in slaap gezongen had. In mijn halfversufte staat dacht ik aanvankelijk nog aan een geknakte slang. Starend door mijn wimperharen ontwaarde ik de tuin, de tafel, mijn voeten – en ik tuimelde halsoverkop overeind. Mijn Apple – mijn laptop – mijn levenswerk was weg! Bier gutste in mijn naakte schoot, het flesje glipte, viel en brak in grote scherven op de tegelvloer.
Ik vloekte toen zoals ik nog nooit had gevloekt, met bulderende medeklinkers en met daverende klanken. Ik vloekte op de bomen en de bladeren en al dat gruwelijke groen. Ik vloekte tot mijn stem me ongehoorzaam weigerde in hese fluistertonen. Zwijg, zwijg maar, want ik hoor je wel denken. Ja, ik had een backup moeten maken in de cloud, maar na zes dagen non-stop werken was ik bekaf geweest. En ik weet wel dat je geen idee had wat dit allemaal teweeg zou brengen. Maar hoe kon je Eefje, hoe kon je dit doen?

Was getekend,

H. van E., zondag 5 februari 2017

Excuseer me, Eefje, dat ik zo meegesleept werd door mijn eigen verhaal. Ik had meer afstand moeten houden, zoals later op die dag. Want ook al kon ik niets meer verifiëren, ik wist je blindelings te vinden, daar met Adrie lanterfantend in het gras en ik zou alles observeren, ginds hurkend in het struikgewas.
‘Adrie!’ riep je al van verre, ‘Aad!’ en ik geloof zelfs dat je giechelde, ‘Adrie! Ik heb de laptop van Gé!’
Je man lag nog te zonnen, uitgestrekt ontbloot in al zijn schaamteloze glorie, zijn benen bij de enkels gekruist, zijn handen in de nek gevouwen en een atletiektijdschrift opengeslagen over het litteken onder zijn rib.
‘Hmmm?’ In zijn hele gelaat bewoog enkel een wenkbrauw omhoog.
Jij zeeg opgewonden als een zwerm spreeuwen neer aan zijn zij. ‘Van Gé! De laptop! Ik heb de laptop van Gé!’
‘Hmmm.’ Traag zonk zijn gezicht terug in symmetrie.
‘Het is z’n Apple, Adrie. Ik bedoel, ben je niet benieuwd? Ook niet een beetje? Hij loopt er al dagen mee rond! Ik wil weten wat erop staat.’
Na een stilte klonk andermaal ‘Hmmm.’ Zelfs ik kon niet duiden wat hij daarmee bedoelde.
Jij griste de Runner’s World van zijn buik. ‘Hé! Luister je wel?’
Eén oog kierde open. ‘Mijn vrouw,’ mompelde hij slaperig en zijn mondhoeken rekten zich uit in een grijns. ‘Kom je bij me liggen?’
Had je dat maar gedaan, Eefje. Dan was alles anders gelopen. Maar jij porde Adrie in zijn flank en verkocht hem een grimas van pijn voor een glimp van zijn aandacht. ‘Hier met dat ding,’ kreunde hij en kantelde op zijn rechterelleboog om het apparaat open te klappen.
Hij klikte en jij, jij keek haast teleurgesteld mee over zijn schouder. ‘Ik begrijp het niet. Het lijkt wel – het lijkt wel… een virtuele wereld?’
De verwondering duurde tergend voort tot Adrie, eindelijk wakker, stuitte op de videofeeds. ‘Met superrealistische beelden… Wat is dit in hemelsnaam, Eef?’ En zijn ogen werden klein en jouw ogen werden groot en mijn ogen verstarden en ik zag en ik hoorde en ik voelde je schreeuw. ‘O, nee! Kijk! Aad, dat zijn wij!’ En hij, lafaard, greep het hardloopblaadje en spreidde het uit voor zijn eigen geslacht.
En ik? Eefje, ik was verlamd van angst en ongeloof.

Met h. gr.,

Hof van Eden, zondag 12 februari 2017

Pas uren later doofde de avond het groen tot een spectrum van grijs, verdreef de warmte met een windje verkoeling en bedaarde de ontvlambare namiddag in schemering. Al dolend door de tuin kreeg ik mezelf weer onder controle, althans dat dacht ik, Eefje. Onzichtbaar om mij heen bereidde het orkest van krekels en cicaden zich sjirpend en tjirpend voor op het concert van de nacht.
‘Adrie?’ vroeg ik. Het was tijd om hem bij me te roepen. ‘Aad, waar ben je?’
‘Hier,’ hoorde ik aan mijn rechterhand, ‘ik ben hier, Gé.’ Mijn ogen schuimden de silhouetten van gewassen naast mij af, maar ik kon hem niet ontwaren. ‘Ik moet me verbergen,’ klonk het van opzij, ‘omdat ik naakt ben.’
Noem me wreed, noem me onrechtvaardig, Eefje, maar verwijt me nooit dat ik hem zomaar heb veroordeeld. Ik verdiende een bekentenis en hij verdiende een kans. Ik vroeg het hem, op de man af. ‘Wie heeft jou dat verteld, Adrie? Heb je soms aan mijn Apple gezeten?’
Het werd stil, zo stil dat zelfs de insecten zwegen. Zou hij maar een greintje hebben begrepen van de programma’s op die harde schijf, mijn alziend oog, de algoritmes van het universum, van de significantie en de onvervangbaarheid van die kennis, dan zei hij niet wat hij toen zei. Zou hij maar een schaduw zijn geweest van de heerser die ik ooit in hem had voorzien, dan deed hij niet wat hij toen deed. Zou hij maar de ballen hebben gebruikt die ik aan hem gaf, dan verzweeg hij wat hij toen niet verzweeg. Dan was niets van dit alles ooit gebeurd. Maar nee.
‘De vrouw,’ zei hij, ‘de vrouw die naast me staat. Zij gaf me de laptop en toen heb ik erin gekeken.’
Het volume van de muziek zwol aan met mijn woede, van zoemen naar snerpen, van krassend naar krijsen, steeds hoger, steeds scheller, de klanken schalden ver en wijd en luid genoeg om Lucifer te wekken en ik sprak, kalm als in het oog van mijn tornado. ‘Vervloekt ben jij dat je dit hebt gedaan. Zwoegen zul je, je hele leven lang. Je bent stof en tot stof zul je wederkeren.’ En toen, Eefje, wendde ik me tot jou met de verderfelijke woorden, ‘Jij zult je man begeren en hij zal over je heersen.’
Bij Jupiter, hoe graag zou ik dat vonnis verwerpen. Maar Lucy had het al vastgelegd in haar duivelse boek, dat je nog eeuwenlang zou achtervolgen. Al die tijd moest ik aanschouwen, hoe Adam faalde, hoe zijn nazaat faalde, hoe zijn nazaats nazaat faalde en hoe vandaag zijn laatste nakomeling faalt als een incapabele clown. Het is genoeg geweest, de maat is vol.
Nu mijn einde nadert, rest mij nog één ding te doen. ‘Eefje, mijn liefste Eva, wil jij mijn troonopvolger zijn?’

Met hemelse groet,
God de Heer

* Elf woorden, vijf regels, één gedicht

Een detective in de keuken, met spanning en conflict

De geur van gebakken spek schuilt in de lucht. Van een primaire behoefte na een primaire nacht.
Hij sluit de deur, stapt naar het midden achteruit en steekt z’n handen onder z’n armen. Kijken mag hij slechts. Later zal hij schrijven.
Langzaam draait hij met de klok mee om zijn as, zijn neus als een secondewijzer die zijn voeten in minuten en zijn gedachten uren voortbeweegt.
Zijn blik omsluit de bruingelakte ombouw van de koelkast, kruipt de hoek in waar de bruinbespetterde senseomachine haar beide koffiepads omklemt, bevoelt het bruinbevlekte aanrechtblad tot aan de grens en dan er over, glijdt de vochtigbruine spoelbak in, betast het bruingeronnen ketchupkwakje klevend aan de binnenkant en glipt omhoog, bestrijkt de bruiniggeglazuurde tegels op de wand, alwaar het vijftal messen zich aan de magneetstrip klampt, besluipt de bruingevette koekenpan met de spetters eiwit aan de rand geschroeid. Zijn geest beroert de bruinverblinde muur schoonmetselwerk, achter het schild van de antiekbruine buffetkast opgesteld, begluurt het bovenste van drie, vier bruingebarsten borden achter glas, bemerkt het twaalfdelig kruidenrekje zonder peper, open en bloot op het blad. Hij dringt het laatste potje binnen, bevingert de blaadjes van rozemarijn.
Hij draait door. De deur staat op een kier.

private-eye

Een landschap dat emotie verbeeldt

Grou-Jirnsum, Akkrum, Heerenveen.
Ze ziet niets van de kale Friese vlakte, met het gras te vruchtbaar groen, de lucht te luchtig blauw. Ze ziet niets van het uitgestrekte, rechtgehoekte, versgemaaide vergezicht. Ze ziet niets van het onbezorgde nieuwe leven, jong en onbezonnen dartel in de wei, klein en onvermoeibaar lustig in de vaart. De kerk die daar reeds eeuwen roerloos stond. De zon.
Ze ziet niets van het godvergeten vaderland waarvan ze zo vaak afscheid nam.
Ze ziet haar zwaaien, zeven jaar geleden, met haar zachte sterke blik. Toen zij het was die haar verliet in plaats van andersom.
Haar ogen horten, stoten non-stop door het panorama om haar heen, de sneltreinvaart te groot om langer dan een glimp te rusten op een beeld. Ze is er al voorbij, voordat ze kan beginnen te bevatten, laat staan voordat ze het herkent, voordat het went.
Steenwijk, Meppel, Zwolle. Overstap.
Twee tassen hobbelt ze de trap op en weer af, tegen mensen in, de moeders met hun dochters, oma’s met hun kleinkind, oude dames, ouder dan zij ooit zal zijn. Ze wacht acht zinloze minuten stilstaand stil op het perron, totdat haar reis hervat.
Wijhe, Olst, Deventer.
Een gloed daalt licht en dun, over het uitgerekte, rondgehoekte, bontbebloeide vergezicht. De kleuren bleken, vlakken af en warmen even op, een schaduw groeit tot schemering en dooft ze in het donker uit.
Haar afgewende silhouet ontsluiert in de ruit, het hoofd bewegingloos, de wimpers neer.
Ze had nooit gedacht dat het verleden op zou doemen in het heden, dat het haar rechts in zou halen en voorbij zou schieten, zo haar toekomst in.
Drie weken, anderhalve dag, een kopje koffie en een lach, de tijd raast haar voorbij in twee uur negenendertig.
Arnhem Zuid, Elst, Lent.
Haar slotgracht over. Thuis.

honderdachtentachtig-kilometer

Een onprettig familiebezoek in drie vertelstemmen en twee perspectieven

Moeder plukt de pluisjes van haar broek die zij alleen kan zien, slechts aanwezig in haar eigen wereld.
‘Drink je je koffie even op?’
Langzaam komt haar hoofd omhoog en drijft haar aandacht naar het hier en nu. Holle ogen zoeken en haar vinger volgt en wijst.
‘Deze?’
‘Ja, die. Deze.’
‘O. Ja. Deze. Zo?’
‘Ja, zo.’ Maartje doet een slokje uit haar eigen kopje voor. Heimelijk scherp houdt ze haar moeder in de gaten, de fragiele hand, de schuine mok, de bevende koffie, de aarzelende slok.
Ze neemt de mok voorzichtig van haar over, zet ‘m weer terug. ‘Lekker?’
‘Ja. Toch?’
‘Jazeker! Ik vind van wel.’
Moeder plukt de pluisjes van haar broek, veegt wat kruimels van de tafel, gooit haar koekje op de grond.
‘Ligt het beter daar?’
Maartje vraagt het luchtig, maar de ogen, ze schrikken, de ogen, die ze zo goed kent, ontbloten zuivere onzekerheid. ‘Doe ik het niet goed?’
Uit alle macht vecht Maartje om een woeste binnenstorm emoties om te buigen in haar allerzachtste voorjaarsbries, om haar moeder onbevangen aan te blijven kijken, met een even zuivere verzekering. ‘Jawel. Jawel, je doet het hartstikke goed.’
Moeders blik glijdt naar haar broek, Maartje neemt haar hand behoedzaam in de hare, houdt haar adem in en, o, ze knijpt haar nog terug, ze kijkt en ziet en blijft nog even, nog heel even.
‘Je doet het hartstikke goed, Mam.’
Ze lachen, beiden opgelucht, ze lachen alles dat niet meer te zeggen is.

‘Pap. Met Maartje. Ik ben vandaag al bij haar geweest. Dan kun jij overslaan.’
‘O. Oké. Hoe was het?’
‘Ja. Wel redelijk.’
‘Oké.’
‘Haar nagels zijn wat aan de lange kant. Wanneer worden ze geknipt? Of doe je dat nog zelf?’
‘Officieel het personeel. Maar als ik het zie, probeer ik het nog zelf te doen. Als ze in een goeie bui is. Als ze me laat.’
‘Ja. Ja, dat snap ik wel.’
‘En verder?’
‘Nee. Dat was het wel.’
‘O. Nou. Dan spreek ik je later weer.’
‘Ja, dat is goed. Dag.’

Er is nog maar zo weinig van haar over. Ze wordt steeds kleiner weer, zo mager en zo rond. Het eten lukt niet meer, het zitten trekt haar botten krom. Een half uur ben ik er geweest, een kopje koffie en een lach, toen was ze moe, toen was ik moe, het ging niet meer.
Het afscheid is het ergste niet. Het ergste is als zij mij nog niet heeft gezien, als ze daar zo zit, stil in haar stoel, verstild in haar hoofd. Het mooiste, dat komt vlak daarna, als ze me opmerkt met de puurste vreugde in haar blik, als ze weet dat ik voor haar kom, ook al kan ze niet meer zeggen wie ik ben.
De rest heeft enkel één constante. Elke keer weer is ze verder weg nog dan de laatste keer dat ik haar zag, de kloof zo hartverscheurend, hemeltergend breed en diep, dat ik niet durf te denken aan de keer daarvoor en daarvoor en daarvoor, toen ze nog mijn moeder was, laat staan de keer die nog hierna komt, óf er nog een keer hierna komt en hoe ik haar dan aan zal treffen?
Want het kost haar alles dat ze in zich heeft het hier en nu te vinden en het kost mij alles dat ik in me heb om daar met haar te zijn. In aanwezigheid met heel mijn wezen en mijn hart wijd open, om alles in me op te nemen voor de kleine beetjes haar in al die brokken rauwe pijn en te proberen om het scherpe enkel heimelijk te voelen, zodat ik louter onze liefde aan haar spiegel en zij de rest niet hoeft te zien.
Het holt haar uit. Het holt mij uit.

hartstikke-goed

In drie stijlen over straat, van poëzie tot aan de bar

Zo is het fijn, zij hier met haar gedachten aan de horizon gehaakt, de lijn kaarsrecht op spanning, haar lijf kaarsrecht ontspannen, ze windt ‘m met haar handen op, in een helling licht voorover, licht ze haar voeten vlak voordat ze valt, zwiept haar hakken in een zwaai omhoog en zweeft met honderdtachtig wentelingen per minuut, op de maat van de muziek, die niemand hoort dan zij, de dopjes in de oren, de artiest geborgen in de heupband om haar buik, haar longen hijgen in, twee, rust, uit, vijf, zes, een evenwicht zo wonder wankel dat ze het zelden vindt en nooit wil laten gaan, zolang ze – stoep, links, rechts, ze slingert en het ritme struikelt, stokt, stremt, remt, ontregelt alle losse passen, de beweging mist haar melodie, nu is ze moe.
Een hardloper op de weg, een eenwieler in haar hoofd. Een fietser in haar baan.

Niet op de stoep, maar op het fietspad loopt ze hard. Het rode, rechte asfalt, zonder opstap, afstap, stoplicht, ongelijke tegels, wandelaars met honden en hun lijn als struikeldraad, maar met doorstroom, snelheid en een groene golf. Als ze durfde liep ze op de autobaan, het liefste midden op de weg, maar nu blijft ze netjes aan de kant. Links, zoals is voorgeschreven, tegen het verkeer in (althans vroeger). Rechts, zoals is voorgeschreven, knipperen twee lampjes, aan haar arm en aan haar been. Ze draagt haar telefoon in een band om haar buik.
Hij draagt z’n telefoon in zijn hand op de fiets. Zonder licht en in een zwarte jas doemt hij pas dichtbij uit het donker op, peddelt dubbel snel de afstand weg en met hun opgetelde tempo trapt hij haar tegemoet.
Zij kijkt, ze zwaait. Hij ziet haar niet en dan te laat.

‘Ja, lekker! Doe mij maar een biertje.
Man, man, man. Je moet wat over hebben voor een drankje hier. Al die idioten op de weg! Het is toch godsgeklaagd. Fiets ik daar op het fietspad net. Heb ik opeens zo’n jogger tussen m’n spaken. Op het fietspad! Nou vraag ik je. Wat doen die mensen daar?
En niet één he. Nee. Ze zijn overal. Links, rechts, midden op de weg. Er is toch een stoep! Weet je, het kan ze gewoon niks schelen. Ik denk dan, die lui menen maar dat ze alleen zijn op de wereld, denk ik dan. Vind je niet?
Daar zouden ze eens wat aan moeten doen. Ik bedoel, hoe moeilijk kan het zijn. Zie jij soms een fiets? Nee? Nou, dan. Dan heb je hier ook niks te zoeken.
Dankjewel, man. Dat gaat er wel in. Proost!’